“Een boer had tien hectare heide nodig om een hectare bouwland te kunnen bemesten”

Albert Dragt uit Meppel vertelt:

Vroeger kwam in de omgeving van het Reestdal erg veel heide voor. Hoe is die eigenlijk ontstaan?
“Die heide is zo’n 3000 jaar voor Christus al ontstaan.Toen waren er al kleine boeren die delen van de bossen kapten of afbrandden en op die plaats gewassen gingen verbouwen. Dat waren  hele kleine akkertjes, dat kunnen we ons nu niet eens meer voorstellen. Na een paar jaar was de grond dood en dan werd er weer een stuk van het bos afgebrand en op de nieuwe akker werd dan weer gezaaid. Zo werden de bossen steeds kleiner. Op de open braakliggende grond wilde niets meer groeien, het vee dat die boeren hadden lieten ze daar dan op lopen. Op die uitgeputte arme gronden ontstond heide. Deze situatie heeft eeuwenlang bestaan.

 

De heide werd wel benut, want de boeren maaiden de heide af en maakten er bijvoorbeeld bezems van. En de bijenteelt ontstond. Eerst hielden ze volken in holle bomen, later maakten ze korven van stro. Ze maakten ook bisschopsmutsen,  die werden dan gevlochten van wilgentwijgjes en bovenaan in de punt werd dan een soort handvat gemaakt, dan werd ie besmeerd met koemest en lieten ze hem drogen. Van pijpenstrootje maakten ze daar dan een soort dekmantel om toe. We hebben het dan al over de periode rond 1900.”

Wat heeft heide met zandverstuivingen te maken ?
“Zo rond het jaar 1000, dus in de Middeleeuwen, werd het boerenbedrijf intensiever en kwam de bemesting. De boeren staken toen heideplaggen, die werden op hopen gezet en gedroogd en later in de potstal gelegd. Daar kwam dan de mest doorheen. Als het vee er een tijdje op gestaan had kwam er weer een nieuwe laag plaggen overheen en zo kreeg je een hele laag organische materiaal in de potstal. Om aan mest te komen werd de heide vaak ook heel intensief begraasd.

Een boer had tien hectare heide nodig om een hectare bouwland te kunnen bemesten. En dan was er nog niet eens mest in overvloed. Als er dan vaak geplagd wordt en de schapen begrazen de nieuw opgekomen heide (want die hadden ze natuurlijk liever dan die oude houtige heidestruiken) ,wat krijg je dan ? De grond wordt steeds kaler en langzamerhand krijgt de wind er vat op. En dan krijg je zandverstuivingen. In Drente zijn vroeger veel woningen onder het zand verdwenen.

In het Reestdal komen geen grote stuifzandengebieden voor. Wel wat kleine terreintjes, zoals op De Wildenberg. Het Drents Landschap wil de typische flora en fauna van deze terreintjes behouden, maar dat kan alleen als de gebieden open blijven. Achter het Spookmeertje ligt ook een kleine zandverstuiving, maar dat noem ik een dode zandverstuiving, daar rukt het buntgras al op.

 

Buntgras en zandzegge leggen het zand vast en dat moet je daar net niet hebben. Stuifzanden moeten ruimte hebben en ze moeten belopen worden. Als er ook maar een beetje mos opkomt, of een beetje van dat buntgras, dan is het zo bekeken. Er hoeft maar een zaadje van de grove den in te komen en dan is het maar even en verandert het al in bos. De bulten die je op De Wildenberg ziet zijn vroeger ook stuifzanden geweest, maar die zijn nu allemaal begroeid, op die ene na vlak achter het bosje. Dat is nog een levend stukje stuifzand, zo vlak aan de rand van het Reestdal.”

Boeren hadden vroeger dus erg veel heide nodig om aan de benodigde mest te komen..
“Ja, en vaak waren die grote stukken heide ook nog gemeenschappelijke grond. Dat werd dan een marke genoemd. De essen waren van de boeren zelf, maar de heide was dan gemeenschappelijke grond. In Drente zie je vaak dat bij de rivier of de beek het dorp wordt gebouwd. Om het dorp heen vind je dan de essen en daarachter lagen dan de heidevelden. Langs de Reest zie je dat nergens. Daar vind je geen brinkdorpen, maar esdorpen of esgehuchten. Dat wordt ook wel zwermhoevenlandschap genoemd. De heide werd dus gebruikt voor de plaggen, maar het pijpenstrootje werd vaak in bosjes gebonden en gebruikt als dakbedekking. De lange struikheide werd gemaaid en daar maakten ze heideboenders en bezems van, samen met wilgentenen en takjes van de berk en de brem. Daar werd zo’n  bezem dan taaier van. De pullenborstels, dat waren die korte boenders, die werden van dopheide gemaakt.

 Dopheide was fijner, daar kon je de melkbussen (pullen) beter mee schoonmaken. Maar de heide had natuurlijk vooral met schapenmest te maken. Als voor de winter de potstal al aardig vol zat, dan werd ie geleegd. Dat kon dan nog niet op het land, maar dan werd de mest eerst op bulten gegooid. Daar zaten dan weer graag de ringslangen in. Daarom worden er nu ook weer broeihopen gemaakt, want die mesthopen zijn er niet meer.”

Ging er altijd iemand met de schapen mee de hei op?
“Je zou zeggen, dat de zoon van de boer dat deed, maar dat was niet altijd zo. Herder was niet bepaald een beroep waar hoog tegen aangekeken werd, vaak werden de herders met de nek aangekeken. ’s Morgens ging de herder de boeren van het esgehucht bij langs en dan nam hij de schapen van de boeren mee de heide op. Als de kudde dan ’s avond van de heide terugkwam wisten de schapen precies in welk hok ze moesten zijn.

Tussen het esgehucht en de heide lag een schapendrift of schapenstreek, tussen Den Huizen en De Haar kun je dat nog zien. De schapen moesten daar wel altijd op het rechte pad blijven, daarom lagen naast de schapendrift vaak slootjes. Achter de slootjes lagen dan de akkers en zo’n kudde mocht natuurlijk niet in zo’n akker komen. Ik weet nog wel dat de sloten langs de Schapenstreek vol met water stonden, nu zijn ze bijna verdwenen en dichtgegroeid. De schapen werden vooral voor de mest en de wol gehouden, maar de mest was het belangrijkste. Het vlees werd natuurlijk ook wel gegeten.

 Aan de randen van het Reestdal lagen vroeger grote heidevelden. Die zijn allemaal verdwenen. Alle dekzandruggen zijn ontgonnen. Alleen op de Wildenberg is de heide er nog. Dat is daar een uniek landschap, want daar tref je nog een landschap, zoals dat er in het verleden op veel plekken uitzag. Het Stapelderveld, het Katingerveld, het Westerhuizingerveld, het zijn allemaal gebieden waar het veen is ontgonnen.”

Is er vroeger veel veen afgegraven?
“Er waren grote stukken heide waar veen onder zat. Later is dat bestoven met dekzand. Die boeren wisten precies waar dat veen zat en daar werd dan turf gegraven. Het bovenste zand werd er eerst afgehaald en dan werden er lange turven gestoken. Die turflaag was eeuwenoud. Het Reestdal was vroeger een groot moerasgebied. In de Middeleeuwen ontdekte men dat turf brandbaar was. Eerst ging men graven. Als het veen te nat was werd alles weer dichtgegooid en ging men weer verder.

Maar later kreeg men door dat als je dat natte “boterveen” in een mengbak deed samen met het bovenlaagje, het afbonksel en dat dan vermengde met water, dan werd dat hele fijne modder. Met een jutte werd die modder dan over het land uitgespreid. Het kwam dan in een mengbak. Men liet dat dan een poosje liggen, dan droogde het uit. Daarna werd het met speciale klompen platgetrapt. Onder die klompen zat een speciale plank. Ik heb dat veel gedaan. Het werd dan allemaal ingetrapt.

Met een steekijzer werd het veen in blokken gestoken. Uiteindelijk had je dan van die kleine vierkante blokjes en die werden dan op hopen gezet. Die turf was dan veel harder dan de gegraven turf, terwijl het eerst juist veel zachter was. Die turf noemde ze sponturf. De naam Sponturfwijk komt hier vandaan. Die loopt van De Pol naar De Mulderij. In die buurt schijnt veel sponturf gemaakt te zijn.”

Wat zie je nu nog in het landschap terug, zijn die plekken waar turf is gegraven er nog ?
“Waar mijn grootvader woonde, dat heette toen Het Zwarten Kaat, (Rabbinge, het boomkikkergebied) dat is vroeger allemaal veen geweest. Met wagens werd dekzand uit de essen weggehaald en de gaten werden daarmee dichtgegooid. Het bovenste laagje, een soort dalgrond, kwam daar dan weer overheen. Al dat grasland bij de Holtberg is vroeger allemaal veen geweest. Ik weet nog dat daar gebaggerd werd. Achter de es op de Holtberg kun je nog goed zien, dat die stijl afloopt. Daar is dat zand toen weggehaald. De essen waren vroeger veel hoger en ook veel groter.

 Dat zand is allemaal met kruiwagens verplaatst. Het Meeuwenveen en het Spookmeertje zijn ook door vervening ontstaan. Net als het Zwarte Gat. Het Zwarten Kaat is voor het grootste deel in cultuur gebracht, alleen dat gebied waar nu de boomkikker zit is niet veel veranderd. Door de tweede wereldoorlog is dat niet gebeurd. Als de oorlog er niet tussen was gekomen waren al die vennetjes nu land geweest. In de oorlog zijn op veel plaatsen ook veenputten gegraven.

Daar werd droge turf gestoken, er werd niet gebaggerd. Je kunt vaak aan de vegetatie zien of er veen onder de heide zit. Op plekken met dopheide en pijpenstrootje zit vaak veen, maar onder die hoge dekzandruggen, zoals op de Wildenberg, zit geen veen. Onder vochtige plekken zit vaak een oerbank of een leemlaag of veen. Daar wordt het water vast gehouden. Daar vind je ook de klokjesgentiaan.”

Hoe is de heide uiteindelijk weer uit het landschap verdwenen?
“Zoals ik al eerder heb gezegd hadden de boeren dus heel veel oppervlakte heide nodig om een klein stukje land te bemesten. De boeren wilden wel meer bouwland, maar dan moesten ze ook weer meer vee hebben voor de mest en dus nog meer oppervlak aan heide. In de 19de eeuw kwam de oplossing voor dit probleem: de kunstmest. Toen was het met de heide gauw gebeurd.

Er kon heel veel heide worden ontgonnen en als bouwland bemest. Er zijn toen nog wel wat stukken heide overgebleven, het Dwingelderveld is nog het grootste natte heideveld van Europa, maar langs de Reest zie je bijna geen heide meer. De Wildenberg is nog bewaard gebleven en op Takkenhoogte komt nu de heide weer terug. Die wordt nu begraasd door Schotse Hooglanders. Het heeft niet veel gescheeld of het Drents heideschaap en de Schoonebeeker waren uitgestorven. Want niet de heide alleen verdween, maar de heideschapen ook.”

Hoe wordt de heide, die er nog is, door de landschappen beheerd?
“Op de Wildenberg lopen Schoonebeekers, dat zijn net kleine maaimachines. Die houden het landschap open. Vroeger werd er ook veel heide gebrand. De as was dan geschikt voor het zaaien van boekweit. Maar tegenwoordig weten we dat het branden van de heide heel veel schade oplevert voor reptielen, insecten e.d. Voor de oorlog werd de heide op de Wildenberg nog wel gebrand.

Het Drents Landschap heeft daar heel lang ook nog heide gebrand. Als je er daarna overheen loopt springen de tranen je in de ogen. Dan zie je veel adders en kikkers liggen, maar ook egels en konijnen die nog geprobeerd hebben om een gat te graven. Je verbaast je erover hoeveel wild er dan nog zat. Zonde, want je bent het allemaal kwijt. Ik denk dat Het Drents Landschap nu helemaal nergens meer brandt.

Je kunt de heide ook plaggen. Dat is op de Wildenberg ook gebeurd. Machinaal. Het nadeel is dat je na het weghalen van de bovenste humuslaag een heide als een mooi biljartlaken krijgt. Het reliëf uit het heideveld is dan verdwenen. En juist die hoogteverschillen zorgen voor een gevarieerde flora. In zo’n dalletje groeien heel andere planten dan op hogere plaatsen. Hoe vaker je de heide machinaal plagt, des te vlakker wordt het terrein.

Dit bericht is geplaatst in Interviews en getagd , , , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>