Alle paardenbloemen hetzelfde ? Vergeet het maar !

April /mei zijn de maanden van de paardenbloem

In april en mei kleuren de graslanden geel van de paardenbloemen. Niet de hooilandjes langs de Reest, die bodem is veel te schraal en ook niet de zwaar bemeste graslanden van de agrarische industrie, nee het zijn vaak de landjes met een niet al te voedselrijke bodem. De zuurgraad mag ook niet te hoog zijn en van hele natte grond houden paardenbloemen ook al niet. Het alternatief voor een bezoekje aan de Keukenhof of de bloembollenvelden in de NOP ? Je vindt het om de hoek. Neem de benenwagen of stap op de fiets en geniet van al dat massale geel. Veel mensen zien de paardenbloem als een on-kruid, als een weinig bijzondere plant, ze lopen er aan voorbij en kennen de bijzondere eigenschappen van deze composiet niet. Ze moesten eens weten………….

Geneeskrachtig

Gelukkig hebben we in dit land bij klachten allemaal de huisarts en de apotheker achter de hand. Dat was vroeger wel anders. De apotheek heette natuur. Voor het bestrijden van

De paardenbloem is een composiet. Opgebouwd uit allemaal lintbloempjes.

allerlei kwaaltjes zocht je buiten in het veld of in het bos naar geneeskrachtige planten. Hekserij of kwakzalverij ? Nee hoor, gewoon een kwestie van kennis en ervaring en het doorgeven er van. Inmiddels zijn we veel van die kennis kwijt of lachen we erom. Wie weet nog dat het sap uit de stinkende gouwe helpt tegen wratten ? Dat een gekneusd blaadje van de smalle weegbree verzachtend werkt bij een muggenbult of wespensteek ?  Weinig mensen weten dat een veld vol paardenbloemen eigenlijk een eeuwenoud medisch handboek te gebruiken bij leverkwalen, nierziekten, problemen met de galblaas en een moeilijke spijsvertering. Uitwendig kan een preparaat helpen bij eczeem en zweren. De werkende stoffen haalde men uit de wortels en het melkwitte sap, dat in de holle stengel zit.

Eetbaar 

Wel eens sla bereid van jonge paardenbloemblaadjes ? Er zijn mensen die dat in deze tijd doen en zeggen dat het heerlijk en gezond  is en een beetje naar andijvie smaakt. Het wordt ook wel molsla genoemd.  Toch is niet de mens de grootste paardenbloem consument. Dat zijn de reeën, hazen en konijnen. Die zijn dol op de verse bladeren. “Konijnenbladeren” worden ze ook wel genoemd.

De lange penwortel van de paardenbloem

Stressbestendig 

Paardenbloemen raken niet zo gauw in paniek. Dat komt door hun sterke overlevingsdrang. Neem als voorbeeld een gemiddeld gazon. Daar vind je al gauw de bladrozetten van de paardenbloem. Daar zijn de meeste “gazonniers”  niet blij mee. In de eerste plaats concurreert de plant het gras weg en het is natuurlijk ook geen gezicht. Dus de maaimachine erover ! Wat blijkt al gauw ? De paardenbloem geniet van al dat geweld. Maaien of vertrappen, de plant lacht erom. Het enige wat effect zou kunnen hebben is het uitsteken van de lange penwortel. Maar vaak blijft toch nog een stukje wortel in de bodem zitten en een poosje later… ja hoor, daar ie ie weer ! Een doorzetter is het. Niet klein te krijgen!

In de weilanden zie je steeds minder paardenbloemen

Alle nakomelingen zijn klonen van elkaar 

Paardenbloemen in het noorden en westen van Europa doen niet aan seks. De zaadjes  (hangend aan een pluisje) zijn ontstaan zonder het samensmelten van een eicel met een stuifmeelkorrel. De moederplant heeft ze zonder mannelijke bemoeienis gevormd en al die zaadjes die bij miljarden de lucht in worden geblazen hebben dus allemaal de eigenschappen van moeders.  In de biologie heet dit verschijnsel apomixie. Het zijn vaderloze nakomelingen. Identiek aan elkaar. Klonen worden ze genoemd. Het is moeilijk profileren in de paardenbloemwereld. Saaie samenleving eigenlijk.

De zaadjes hebben bijna allemaal de eigenschappen van de moederplant

Echter….  soms, heel soms vindt er toch een samensmelting van een stuifmeelkorrel en een eicel plaats. Het zaadje dat daaruit ontstaat is dan toch net weer iets anders. De plant die daaruit ontstaat is nog steeds een “gewone “paardenbloem, maar de echte doorgewinterde  paardenbloemkenner ziet het kleine verschil. Het kan de insnijding van de bladrand zijn, de kleur van het blad, de vorm van de steel e.d. Zo weten we nu dat in een bloemrijk weiland meer dan 60 microsoorten paardenbloemen voorkomen. Het aantal voor heel Nederland wordt geschat op 250 ! Meer weten ? De website Taraxacum Nederland weet er alles van.

Het gaat niet erg goed 

Vanaf de laatste zondag in april 2020 wordt de “Dag van de paardenbloem” georganiseerd. Doel : meer aandacht is nodig voor deze plant, want ze komen in het boerenland en bermen steeds minder voor. Groene weilanden vol gele paardenbloemen (en lila pinksterbloemen), je ziet ze steeds minder.

paardenbloemen trekken veel insecten

Relatie tussen weidevogels en paardenbloemen. 

Paardenbloemen zijn belangrijk voor vlinders, wilde bijen, zweefvliegen en andere insecten. De bloemen leveren nectar en stuifmeel.  Een van de oorzaken van de achteruitgang van weidevogels is het ontbreken van eiwitrijk voedsel voor de jonge nestvlieders. Insecten dus. In bemest grasland verdwijnen de paardenbloem, de pinksterbloem en andere kruiden. Hetzelfde gebeurt in bermen die veel te vroeg en ook  veel te vaak worden gemaaid.  Voor jonge kieviten, grutto’s en scholeksters die zelfstandig hun voedsel moeten zien te vinden is er in het boerenland dus te weinig aanbod aan kleine beestjes waarmee ze hun maag moeten vullen. Ze verzwakken en gaan dood. Vaak wordt de schuld van het weidevogeldrama in ons land gelegd bij het eind van de voedselketen ( vos, kraai, ooievaar) en wordt er niet gekeken naar de problemen aan de basis van het ecosysteem: het ontbreken van kruiden in het grasland.

 Een paar fototips : 

Fotografeer bloeiende planten bij voorkeur als het bewolkt is. Of gebruik je eigen    schaduw.

Ga door de knieën of ga liggen en fotografeer op bloemhoogte. 

Zorg voor een rustige achtergrond als je de bloem van dichtbij fotografeert.

Neem de tijd.

 

Posted in Flora | Tagged , , | Leave a comment

De witte sleedoorn als eerste rijkbloeiende struik na de winter

De sleedoorn is de eerste struik die na de winter uitbundig en opvallend bloeit. Honderden kleine witte bloemen vind je aan deze struik ( of is het een boom? ).De sleedoorn bloeit voordat de bladeren verschijnen. Wandelen of fietsend door het kleinschalig landschap vallen de sleedoorns direct op. Je ziet ze in bosranden, bosjes, houtsingels, in grote tuinen ( bij oude boerderijen), langs snelwegen, enz. Na de bloei kiest de sleedoorn ervoor om als anonieme struik door te gaan. Opvallen doet ie dan niet meer.

Sleedoorn heeft puntige doorns

Haag

Net als de meidoorn werd deze struik vroeger geplant in hagen, die moesten dienen als veekering of om een eigen stukje grond af te palen. In boerenhagen werden ook soorten als hazelaar en hondsroos geplant. Zo’n gemengde haag werd dan ondoordringbaar. Daar zorgden de lastige doornachtige takken van meidoorn en sleedoorn wel voor. De komst van prikkeldraad maakte deze groene afrasteringen overbodig. Honderden kilometers aan sleedoorn- en meidoornhagen verdwenen. Zoals zoveel…… Gelukkig wordt tegenwoordig op erg veel locaties in ons land bosplantsoen geplant. Daar zit bijna standaard de sleedoorn bij. De ontwikkeling van hagen, houtsingels en vogelbosjes heeft een andere functie dan vroeger. Nu gaat het om biodiversiteit en klimaat.

Uitbundige bloei van de sleedoorn

Opnieuw aangeplant

Voor vogels is een haag met een grote variatie aan struiken belangrijk. Er kan veilig in

bloem sleedoorn

worden genesteld. In de nazomer barst het er van allerlei eetbare vruchten en zaden. Tegenwoordig planten organisaties als Landschap Overijssel en Het Drents Landschap houtsingels of bosjes , vaak op plekken waar ze ooit hebben gestaan. Het plantgoed bestaat dan uit typische inheemse bomen en struiken als bijvoorbeeld  Gelderse roos, hondsroos, hazelaar, eik, meidoorn, sleedoorn en vogelkers. De sleedoorn bloeit in maart/april. De witte bloemen staan vaak in groepjes bij elkaar. Ze hebben vijf kroonbladen. De sleedoorn laat zich mooi fotograferen tegen een strak blauwe lucht. Het contrast tussen de witte bloemen en de blauwe lucht is dan een lust voor het oog. In het vroege voorjaar valt de sleedoorn gauw op. Er is geen inheemse boom, die op hetzelfde moment net zo mooi bloeit als de sleedoorn. De meidoorn bloeit later. Bloeiende krentenbomen zijn ook wit, maar het wit van de sleedoorn is intenser.

Eitje sleedoornpage foto: Vroege Vogels

Sleedoornpage

De sleedoornpage is in ons land een zeldzame vlinder, die een sleedoorn  zoekt om er eitjes op te leggen. De vlinder heeft het moeilijk omdat veel landschapselementen als houtwallen, houtsingels en heggen verdwenen zijn. De eitjes worden in de oksel van een tak gelegd. In april komen ze uit. De rupsen eten de blaadjes die dan uitkomen. Er zijn vlinderwerkgroepen die in de winter op zoek gaan naar eitjes in sleedoornstruweel. De vindplaatsen worden dan gemarkeerd. Bij het onderhoud van een houtwal weten de beheerders dan precies welke takken ze niet moeten snoeien. Het is een erg secuur werkje dat zoeken , want de eitje meten slechts 1 tot 2 millimeter !

sleedoorn in houtwal

Stuifmeel en nectar

Als je bij een bloeiende sleedoorn gaat staan valt al heel snel het gezoem van insecten op. Het is er ( bij zonnig weer) een drukte van belang. Hongerige hommels, bijen, zweefvliegen en vlinders , na de winter is er eindelijk weer voedsel, vliegen onrustig van bloem naar bloem op zoek naar zoete nectar en eiwitrijk stuifmeel. Bij dagpauwogen is de sleedoorn erg populair.

Meer weten over de sleedoorn ?

Over sleedoorn en gebruik 

Sleedoorn als onderdeel van onze flora 

Fotograferen van sleedoorn 

 

 

Posted in Flora | Tagged , | 1 Comment

Het jachtige bestaan van speenkruid

De gele sterretjes van het speenkruid geven een  echt voorjaarsgevoel. Net als het geluid van baltsende kieviten of de eerste zonnewarmte op je gezicht. De groene tapijten met blaadjes zijn in de nawinter al zichtbaar, maar in maart/april moet het gebeuren. Dan moeten de plantjes groeien, bloeien en zaad vormen. Voedingsstoffen moeten worden aangemaakt en opgeslagen in de knolletjes (speentjes) voor het volgend jaar. Haast is geboden! Als bomen en struiken in blad komen is het speenkruidfeestje weer voorbij. De bloemetjes verdwijnen, de groene blaadjes vergelen en na een poosje verdwijnt het speenkruid van het toneel. Om weer opgevolgd te worden door andere bodembedekkers, die goed schaduw kunnen verdragen.

speenkruid bloei

Speentjes

Speenkruid is familie van de boterbloem. Het plantje voelt zich thuis op vochtige vaak open plaatsen, tuinen, bosranden maar het groeit ook langs sloten en beken. De knalgele bloemetjes vallen erg op en worden door veel insecten bezocht. Speenkruid is een van de vroegst bloeiende planten die we in ons land hebben, net als het klein hoefblad. Bij donker weer en regen sluiten de bloemetjes zich. Om er echt van te genieten moet je dus mooi zonnig weer hebben. Speenkruid dankt zijn naam aan de speenvormige knolletjes, die je kunt zien als je de plant uitgraaft.

Knolletjes van speenkruid zorgen voor de voortplanting

Vitaminerijk

Bij hoge temperaturen komt speenkruid als een donderslag bij heldere hemel.  Op schaduwrijke plekken komt het later en minder tot bloei en kun je er nog weken van genieten. Het is de moeite waard om eens een polletje uit te graven. Je komt dan kleine wortelknolletjes tegen. Ze lijken op speentjes. Daarmee is ook de naam van het plantje verklaard. In het Duits wordt het plantje Scharbockskraut (scheurbuikkruid). Zeelieden die aan de gebrekziekte scheurbuik (scorbut) leden konden hun vitamine C  tekorten aanvullen door de jonge plantjes van speenkruid te eten. Tenminste, als ze het land hadden gehaald, want op zee speenkruid eten gaat niet lukken

Makkelijk verspreid 

Speenkruid plant zich voornamelijk ongeslachtelijk voort. dus geen gedoe met stuifmeel en eicellen en zo, maar met knolletjes. Als het plantje is uitgebloeid ontstaan in de bladoksels van de onderste blaadjes kleine knolletjes. Laat zo’n speen  los van de plant, dan vormt het worteltjes en ontwikkelt zich tot een nieuwe plant. Is het speenkruid in je tuin ooit begonnen als een klein plantje en heeft het zich in de afgelopen jaren sterk vermeerderd, dan zijn al die speenkruidplantjes klonen van de eerste. Bij gerommel in de tuingrond ( spitten, schoffelen, open krabben) doe je als tuinder zelf ongemerkt mee met het vermeerderen van speenkruid. In een volgend jaar kan het plantje dan op allerlei onverwachte plekken opkomen.

speenkruid langs de slootkant

Voedselrijke grond 

Als je wilt weten of de bodem voedselrijk of voedselarm is, kijk dan naar de planten. De aanwezigheid van bepaalde soorten vertellen je het verhaal. Van brandnetels is bekend dat ze zich thuis voelen op humusrijke en stikstofrijke grond. Dat geldt ook voor de braam. En de klaproos . Deze planten worden indicatorplanten genoemd, ze geven info over de kwaliteit van de bodem. Speenkruid doet dit ook. Op hele arme grond zal je de gele sterretjes niet gauw aantreffen, de voorkeur van het plantje ligt op plekken met vochtige humusrijke bodem. Op arme zandgronden komt ie maar weinig voor.

Fotograferen 

Speenkruid is erg fotogeniek. Ze groeien vlak boven de grond, dicht bij elkaar en de bloemen steken mooi boven de groen bladeren uit. Natuurfotograaf Wim Verhagen zegt er dit over: “Ik vind dit met name zo’n leuk plantje omdat ze zo veelzijdig is. Ik bedoel daarmee te zeggen dat er veel verschillende composities mogelijk zijn. Frontaal van bovenaf is het eenvoudigst. Voor andere composities is het zoeken naar het juiste standpunt. Vaak zul je plat op de buik moeten, of gebruik moeten maken van een hoekzoeker.”  Met je telefoon maak je al prachtige foto’s van speenkruid, vooral als de plant massaal staat te bloeien. Heb je nog een “echte” camera, misschien ook nog met een macrolens ? Dan liggen al die bloeiende gele sterretjes al op je te wachten ! Ga door de knieën, of op je buik en je maakt de mooiste foto’s ! Nog een tip: Wacht het moment af dat de zon even achter een wolk verdwijnt of scherm op een andere manier het harde directe zonlicht af. Anders blijft er van dat mooie botergeel niet veel over.

Meer weten over speenkruid ? 

Flora van Nederland geeft veel info.

Speenkruid middel tegen aambeien ?

Speenkruid en andere voorjaarsbloeiers fotograferen

 

Posted in Flora | Tagged , | 1 Comment

Eerbied en respect voor majesteit de beuk (3)

Deel 3 : over de schors en monumentale bomen 

Beukenbossen zul je op de flanken van het Reestdal niet vinden. Beukenlanen wel, hele mooie zelfs, vaak op locaties met historie. Solitaire beukenbomen zijn er nog genoeg. Soms in het bos, maar vooral in voortuinen van monumentale boerderijen. Misschien is de beuk wel de meest imponerende boom die we in ons land hebben. Samen met de eik en paardenkastanje in de top 3 van de grootste levende monumenten die we hebben. De majestueuze beuk is een sieraad in ons landschap. Een indrukwekkende boom waar we met veel respect mee om moeten gaan. Als de eik de koning van het woud wordt genoemd, dan moet de beuk zijn echtgenote zijn. In drie artikelen krijgt deze prachtige boom alle aandacht

Samen houden de beuken in een laan het zonlicht tegen.

Gladde schors is kwetsbaar

Het is soms best moeilijk om een boom op naam te brengen. De website bomenbiep.nl laat 182 soorten zien die in ons land voorkomen, maar echt inheems zijn er maar rond de 35. Die te determineren is vaak al lastig genoeg. Bij de beuk heb je geen gids nodig. Die pik je er zo uit. Kijk naar de schors. Die is glad en grijs/groen. Geen andere boom in ons land heeft zo’n rimpelloze huid. Behalve glad is de schors ook dun ( 4 tot5 mm). Dit is één van de zwakke plekken van de beuk. De superdunne schors kan niet tegen direct zonlicht. De boom kan dan last krijgen van zonnebrand. Bij een temperatuur van meer dan 40 graden Celcius ( kan zo maar op een bloedhete zomerdag uit de wind ) raken de weefsels van het cambium en de bast beschadigd. Deze droogtestress vernietigt de dalende sapstroom in de bastvaten. Het

Beheer van beukenlanen vergt deskundigheid

water in de bastvaten kan zelfs aan de kook raken. Als het cambium kapot gaat stopt de aanmaak van nieuwe cellen. Gelukkig heeft de beuk de oplossing voor dit probleem zelf in huis. Takken groeien tot aan de grond. Bladeren liggen dakpansgewijs half over elkaar heen en laten weinig licht door. Valt een beuk uit een laan weg, dan kan dat problemen geven voor de achterblijvers. Die staan dan meer in het licht. Door de winterstormen van 2022 zijn talloze  bomen gesneuveld, waaronder veel beuken. Nu maar hopen dat de zomer niet zo heet en droog wordt als die van 2019 en 2020.

De beuk als communicatiemiddel

Wat doe je als je tot je oren verliefd bent ? Een foto posten op Instagram ? Een berichtje op Facebook ? Mogelijkheden genoeg om het van de daken te schreeuwen. Dat was dus vroeger anders. Gelukkig stonden op veel ( vaak mooie) plekken beuken met gladde basten waarin je met een scherp voorwerp heel gemakkelijk een boodschap of mededeling kon snijden. Het waren vooral de verliefden die hartjes kerfden, maar uit een onderzoek van de Historische Kring De Bilt ( Bomenpraat) blijkt dat het wat genuanceerder ligt. Jaartallen bijvoorbeeld komen ook veel voor, net als initialen, volledige namen, zelfs tekeningen sieren beukenstammen. Wat alle inkervingen gemeen hebben is de hoogte. Die is gemiddeld anderhalve meter. Logisch natuurlijk. Ze worden op ooghoogte aangebracht. Tijdens biologielessen wordt verteld over diktegroei en lengtegroei bij bomen. Heb je toen slecht opgelet en kom je jaren later bij de beuk waar je ooit met je liefje in een romantische bui dat doorboorde hartje hebt gekerfd, misschien kijk je dan omhoog. Een boom wordt toch elk jaar langer ? Klopt, maar niet op de plek van de kerf. Daar vindt alleen diktegroei plaats. Dus is dat hartje er nog steeds en de initialen ook, maar zijn ze gelijk opgaand met de hartstocht in de loop van de jaren behoorlijk vervaagd.

Door diktegroei vervagen de letters in de loop van de jaren

Monumentale beuken

Beuken kunnen soms heel oud worden. En indrukwekkend!  Om in het Landelijk Register van Monumentale Bomen te komen moet een beuk minimaal 80 jaar zijn. Drie voorbeelden van bekende stokoude beuken (in de regio) zijn:

De dikke stam van de 12 apostelen beuk

De Apostelboom in Lutten

Deze hele dikke beuk vind je op de begraafplaats van Lutten ( vroeger was in deze regio het brongebied van de Reest). Waarschijnlijk geplant in 1902, dus inmiddels meer dan 120 jaar oud. Het is een hele indrukwekkende boom, met een prachtige door zwammen aangetaste stam. Ongeveer twaalf dikke takken vormen samen de kroon. Het getal twaalf is de link naar de naam van de boom. De beuk ziet er kwetsbaar uit, maar lijkt nog wel een poosje mee te gaan.

 

De beuk aan De Stapel in betere tijden

De Groene Beuk aan De Stapel ( in storm Eunice gesneuveld op 18-02-2022)

Erg jammer dat deze oudste beuk van Drenthe niet bestand was tegen de windstoten van storm Eunice. De boom was niet in goede conditie, maar toch. Een groot gemis voor de bewoners van boerderij de Nieuwenhof en de omwonenden. Kijken naar de plek waar de beuk stond doet nu pijn. André Efftink van de Bomenwacht vindt het erg jammer, maar is toch enigszins opgelucht. ” De groene beuk was al jaren in een aftakelingsfase en is nu zelf aan zijn einde gekomen.” De kolossale boom werd al vanaf 1985 door de Bomenwacht verzorgd: een stam met een diameter van216 centimeter en een kroon met een diameter van meer dan20 meter. De boom stond er al sinds ongeveer 1750 en was beeldbepalend voor buurtschap De Stapel.

Mariaboom op Landgoed Molencaten

De Mariaboom op Landgoed Molencate bij Hattem

Ook deze beuk is stokoud en niet meer in goede staat. In 2020 nog deelnemer aan de wedstrijd “De mooiste boom van Nederland” . De boom staat in de ankers en er wordt alles aan gedaan om de beuk in leven te houden. Kans op omvallen door een windstoot is niet zo groot, want de beuk staat in het bos, vlak bij een spreng. ( gegraven beek) De leeftijd is niet zeker. Waarschijnlijk geplant in de periode rond 1800, dus waarschijnlijk meer dan 200 jaar oud. De omvang van de stam mag er ook zijn, maar liefst meer dan vijf meter. Het is niet de meest indrukwekkende beuk van ons land en bovendien nog moeilijk te vinden. Wandelaars die vanuit Hattem het Hoenwaardsepad (klompenpad) lopen, komen er langs.

Speulderbos: bos van de dansende bomen

Is dit het mooiste beukenbos ?

Dat een oude beuk erg fotogeniek is,  is wel duidelijk. Wat nog fotogenieker is ? Twee beuken ! Maar het summum voor de natuurfotograaf is een oud beukenbos ! Of het Speulderbos het mooiste beukenbos van ons land is ? Het is in ieder geval wel het drukst bezochte en meest gefotografeerde beukenbos van ons land. Het ligt een paar kilometer buiten Ermelo, bij het gehucht Drie. Het bestaat vooral uit oude beuken en eiken, vaak kromgegroeid of grillig van vorm. Veel dood hout ook, voor de liefhebber van paddenstoelen is dit de hemel op aarde, bovendien bijzonder sfeervol bij mist of zonsopgang. Je kunt er prachtig wandelen. Het is een voorbeeld van een malebos. Het Speulderbos wordt ook wel het bos “met de dansende bomen” genoemd.

Posted in Flora | Tagged , , | 1 Comment

Bij de bloeiende hazelaar zitten man en vrouw onder één dak

Veel mensen zijn in het begin van januari de winter al zat. Ze verlangen naar het licht, naar langere dagen en naar de voorjaarszon. Het geduld ontbreekt om de winter gewoon af te wachten. Misschien missen ze het vermogen om van alle seizoenen te genieten. Jammer, want in de wintermaanden is er buiten genoeg te beleven.

De meeste bomen en struiken gaan in oktober/ november in een lange winterrust. Ze wachten gelaten de lange winterperiode af om daarna in april/mei te gaan groeien en bloeien. Maar niet allemaal. Een paar soorten vinden dat veel te lang duren. Die willen zo snel mogelijk bloeien. Zonnige en niet te koude dagen in januari ? De hazelaar kan niet wachten en al gauw bengelen gele katjes in de wind. Soms al in december ! Vooral op plaatsen uit de wind. Wat later doet de els hetzelfde, maar de hazelaar is de meest ongeduldige boom van ons land en de eerste boom die bloeit.

De hazelaar is eenhuizig, de boom heeft mannelijk en vrouwelijke bloemen

Eenhuizig en tweehuizig

Twee begrippen uit de biologie. De hazelaar is eenhuizig. Een boom/struik is eenhuizig als de mannelijke en vrouwelijke bloemen aan dezelfde boom zitten. Dus man en vrouw onder één dak, samen in één huis. Ook de els is eenhuizig, net als de eik.

Een tweehuizige boom heeft of mannelijke of vrouwelijke bloemen. De hulst is er een voorbeeld van. Alleen aan vrouwelijke hulsten komen mooie rode besjes. Koop in een tuincentrum dus geen mannelijke hulst ! Ook de hop, die veel in het Reestdal voorkomt, is tweehuizig. Hopbellen vind je alleen aan de vrouwelijke struiken.

Stuifmeelkatjes hazelaar: tussen de schubben zitten de meeldraden

Gele snottebellen; de mannelijke bloemen

Weer terug naar de hazelaar. Als je bij een bloeiende hazelaar staat vallen natuurlijk direct de gele mannelijke stuifmeelkatjes op. Die zijn erg dominant aanwezig. Al die gele sliertjes, ze worden ook wel snottebellen genoemd, hebben de taak om stuifmeel te maken, heel erg veel stuifmeel zelfs. De pollen moeten worden weggebracht door de wind en die wil niet altijd lekker meewerken. De wind is er gewoon niet, of waait een ongunstige kant op. Daarom is het beter om erg veel stuifmeel te maken. Raak een tak met rijpe meeldraadkatjes maar eens aan! Voor mensen met pollenallergie niet verstandig, toch eens proberen. Het gele poeder dat soms in wolken vrijkomt bestaat uit miljoenen en miljoenen mannelijke voortplantingscellen, die allemaal hetzelfde doel hebben: het bevruchten van een eicel. En die eicel bevindt zich in een vrouwelijke bloem. Alleen is de vraag, waar zijn die bloempjes?

Net als de hazelaar produceert de els ook erg veel stuifmeel

Pollen

Bij de mens zijn de vingerafdrukken uniek. Bij planten zijn dat de stuifmeelkorrels. Iedere plant/struik/boom heeft pollen met een eigen vorm en eigenschappen. Stuifmeelkorrels blijven in de bodem vaak goed bewaard. Archeologen maken daar dankbaar gebruik van. Door onderzoek op pollen in Drentse veentjes weten we dat de hazelaar vanaf 7000 v. Christus West-Europa veroverde. Leuk om te weten allemaal, maar stuifmeel gaat een heel andere betekenis krijgen als je er heel gevoelig voor bent. Als je immuunsysteem even niet doet wat het moet doen en je lijf op een heel irritante manier begint te reageren: pollenallergie. Een winterwandeling kan door het passeren van een bloeiende hazelaar uitlopen op een dag met veel snot en rode ogen. Gelukkig is er veel informatie over deze allergie en kun je er vaak wat aan doen.

vrouwelijke bloemen hazelaar.

Karmijnrode pluimpjes: de vrouwelijke bloemen

Even goed kijken naar de tak en de vraag is beantwoord. De vrouwelijke bloempjes zitten vaak aan dezelfde tak op korte afstand van de mannelijke katjes. Ze zijn erg klein, maar vallen op door hun karmijnrode fijn ingesneden stempeltjes. Het komt voor dat de vrouwelijke en mannelijke bloemen niet tegelijk bloeien. Dan is een andere hazelaar nodig om de vrouwelijke bloemetje te bestuiven. Alle hazelaars bloeien nooit tegelijk. Bestoven en bevruchte vrouwelijke bloemen groeien uit tot hazelnoten.

Hazelnoten 

Dat je van hazelnoten heerlijk gebak kunt maken weet bijna iedereen wel. Minder bekend is de hazelnootolie. Deze gele olie ( is niet goedkoop) kun je toevoegen aan salades, maar veel vaker lees je dat hazelnootolie geneeskrachtig is. Het bevat veel vitamines en is rijk

Boomklevers leggen wintervoorraden van hazelnoten aan.

aan ijzer. Het gebruik bevordert de galproductie en is erg goed voor de huid. Dit alles zal de dierenwereld een zorg zijn, die hebben hazelnoten in hun overlevingspakket zitten. In de vrije natuur worden hazelnoten door eekhoorns, gaaien, muizen en boomklevers als wintervoorraad verstopt. Gaaien doen dat vaak op open plekken aan de randen van het bos, precies de plek waar hazelaars graag staan. Natuurlijk worden die duizenden noten niet allemaal teruggevonden. Hazelaars staan dan ook vaak bij elkaar.

Hazelaars staan vaak op plekken met veel licht, zoals bosranden.

Posted in Flora | Tagged , , , | Leave a comment

Eerbied en respect voor majesteit de beuk (2)

Deel 2 :  over boek , sfeervolle beukenbossen en  concurrent de eik 

Beukenbossen zul je op de flanken van het Reestdal niet vinden. Beukenlanen wel, hele mooie zelfs, vaak op locaties met historie. Solitaire beukenbomen zijn er nog genoeg. Soms in het bos, maar vooral in voortuinen van monumentale boerderijen. Misschien is de beuk wel de meest imponerende boom die we in ons land hebben. Samen met de eik en paardenkastanje in de top 3 van de grootste levende monumenten die we hebben. De majestueuze beuk is een sieraad in ons landschap. Een indrukwekkende boom waar we met veel respect mee om moeten gaan. Als de eik de koning van het woud wordt genoemd, dan moet de beuk zijn echtgenote zijn.

In drie artikelen krijgt deze prachtige boom alle aandacht.

De vink wordt ook wel boekvink genoemd. Deze zaadeter is dol op beukennootjes.

Over Boekeloo, boekvink, boekstaven en boekweit 

De naam Beuk komt van het woord Boek. Je komt het woordje “boek” nog tegen in woorden als Boekelo ( loo=bos), Boekel, boekvink en boekweit.( boekweitzaadjes lijken op beukennootjes en weit =meel). Bij het uitvinden van de boekdrukkunst werd o.a. beukenhout gebruikt om er letters of andere tekens uit te snijden : boekstaven. Dit waren stokjes van beukenhout. Het Duitse woord voor letters (Buchstaben) is zo goed te verklaren. Het grappige is dat de schors van de beuk vooral

Boekweitzaadjes lijken erg veel op beukennootjes

vroeger werd gebruikt om er namen, jaartallen en hartjes in te kerven. Ook een manier om met behulp van de beuk te schrijven. Maar over die schors later meer.

Beukenbossen

 Zoals eerder vermeld kent het Reestdal geen grote beukenbossen. Wel beukenlanen en groepen beuken op landgoederen zoals Dickninge. En natuurlijk de solitaire (rode) beuken in de voortuinen van boerderijen. Hier en daar staan solitaire beuken in de bossen, zoals op Rabbinge en in de Haardennen. Toch is het goed om aandacht te besteden aan het biotoop beukenbos, want er valt veel over te vertellen.

Uitgroeide beukenhaag op Den Westerhuis

Op de armere zandgronden hebben beukenbossen een dikke zure strooisellaag die heel moeilijke verteert. Ondergroei is er nauwelijks. Het bladerdak van de beuk is namelijk erg dicht en laat weinig licht door. De planten die er wel bloeien houden van schaduw. Denk

Dalkruid bloeit als de bomen al in het blad staan. Schaduwplant.

hierbij aan dalkruid, lelietje van dalen en salomonszegel. Een struiklaag is er niet of nauwelijks. Door het gebrek aan variatie in de ondergroei doet zo’n beukenbos monotoon en saai aan. Het is maar hoe je het bekijkt. Juist door die afwezigheid van een struiklaag krijgt een beukenbos diepte en perspectief. Bij nevelig weer levert dat een hele aparte, wat mystiek sfeer op. Verre van saai!

Tweehonderd jaar geleden was Nederland slechts voor 3% bedekt met bos. (Nu is dat 10%.) Sinds die tijd is er veel nieuw bos aangeplant. Daar hadden onze voorouders meerdere redenen voor. Beuken bossen zijn in de meeste gevallen aangeplant. Dat is ook goed te zien. Vaak staan de bomen nog in rijen, al zijn veel bomen gekapt of door ouderdom en sterfte verdwenen of omgevallen. Het bos wordt er wel spannender door. Vaak werden de mooie rechte bomen uit de bossen geoogst en bleven de kromme exemplaren staan.

Veel dood hout zorgt voor een grote biodiversiteit aan schimmels en insecten.

In beukenbossen komen niet veel vogelsoorten voor. De zwarte specht wel, die heeft een sterke voorkeur voor beukenhout om er een nest in te hakken. Indirect zorgt dat gehak voor meer diversiteit, want verlaten spechtenholen worden gekraakt door o.a. holenduiven, boommarters en vleermuizen. Het beukenbos is wel erg rijk aan

Echte tonderzwam op de stam van een beuk

paddenstoelen. Schimmels hebben door de afwezigheid van bladgroen geen licht nodig om te leven, in het beukenbos kunnen ze prima met de wortels van al die beuken samenleven. Soms wordt een gezonde beuk aangetast door een schimmel zoals de echte tonderzwam die op zwakke levende bomen parasiteert. De  boom legt naar verloop van tijd het loodje. Jammer, maar ecologisch gezien geen ramp, want een stervende boom zal voeding leveren aan een heleboel andere soorten paddenstoelen. De één z’n dood………

Beuk en eik

In de Europese bossen spelen beuk en eik een belangrijke rol. Vooral de band tussen eik en mens is altijd hecht geweest : het hout is stevig en je kunt er

Op weg naar het licht wint de beuk het van de eik

van alles mee. Het hout van de beuk is minder populair. Ecologen ontdekten op een eik een veel hogere biodiversiteit. Echter, als je de twee bomen in het bos als concurrenten bekijkt wint de beuk. Neem de groei. Staan een jonge eik en beuk in het bos naast elkaar, dan zal de beuk de wedstrijd naar het zonlicht  winnen. Al gauw zal het dichte bladerdak van de beuk de eik overschaduwen. De eik staat in de schaduw en verpietert. In een eikenbos kan een beuk groeien en groot worden, maar een eik in een beukenbos ? Dat wordt niks.

Posted in Flora | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Eikengaard : voorbeeld van toekomstvisie in het verleden

Eikengaard achter boerderij op Den Kaat

Denken in korte termijnen is zo menselijk als wat. Je ziet het vaak om je heen. Politici zijn er heel goed in. Vooral bezig zijn met de waan van de dag. Vaak komen ze in actie als het (bijna) te laat is. Vrijwel nooit luisteren naar signalen uit de samenleving. Dan moet er een rechtbank aan te pas komen om de boel wakker te schudden. De stikstofcrisis is er een voorbeeld van. Net als de klimaatcrisis. Dat de biodiversiteit achteruit holt, de zeespiegel stijgt en het klimaat steeds grilliger wordt weten we al jaren. Dat zijn geen donderslagen bij heldere hemel. Waarom dan toch zo weinig interesse in de nabije toekomst? Regeren is toch vooruitzien ?

Gebinten van eikenhout

Gebinten

In de 18e en 19e eeuw deden de boeren dat wel: denken aan de wereld van hun kinderen en kleinkinderen. Naast of achter de boerderij werden, vaak keurig in rijen, eiken geplant. Geen struiklaag, alleen gras. Een eikenplantage. Eiken groeien langzaam, de boeren wisten dat. Ze wisten ook, dat  niet zij maar de volgende generatie(s) plezier van deze eiken zouden hebben. “Boompje groot, plantertje (opa of grootvader)  dood.”Als de boerderij

Gebinten met een pen-gat verbinding. Er kwam geen spijker aan te pas.

werd uitgebreid of moest worden opgeknapt werden een paar eiken uit de eikengaard geveld. De bomen leverden de gebinten, het geraamte voor de nieuwe aanbouw. Eikenhout was toen al duur, als je het hout zelf kon leveren was dat mooi meegenomen. Houthandelaars uit de streek hadden ook vaak belang bij die mooie grote opgaande eikenstammen. Scheepstimmerbedrijven uit Meppel bijvoorbeeld stonden vooraan als het hout op stam werd geveild. Er werden flinke bedragen voor neergeteld.

Functioneel 

De boeren van toen ( 18e,19e en begin 20ste eeuw) waren zo praktisch als het maar kon. Het boerenerf was helemaal ingericht op basis van nut. Alles draaide om eenvoud.

Boerenerf

Gebouwen en inrichting waren vooral functioneel. Er was nauwelijks geld, zeker niet voor luxe. De gebouwen werden gebouwd met materialen uit de omgeving. Eikenhout dus. Voor het bouwen van schuren of  het timmeren van een doodskist. Maar ook riet. Een typische Reestdalboerderij bestond uit twee gedeelten: het werkgedeelte (domein van hem) was rietgedekt, het woongedeelte (domein van haar) had een pannendak. Leilindes gaven het woongedeelte bescherming tegen de warme zon, op het erf oogstte je fruit uit de boomgaard. En de moestuin ontbrak natuurlijk ook niet.

Eikengaarde als naam 

Veel mensen kennen het begrip eikengaarde niet. Toch is de kans groot, dat ze wel het woord kennen. In ons land komt de naam Eikengaard(e)  voor bij boerderijen, vakantiehuizen en straatnamen. De vraag is natuurlijk of al die bewoners van de 49 woningen aan De Eikengaard in Boxtel weten wat een eikengaard is………..

Eikengaard bij boerderij 't Ende

Ze zijn er nog 

Gelukkig zijn er nog veel eikengaarden bewaard gebleven. Op veel plaatsen in de benedenloop van Het Reestdal zie je ze bij grote boerderijen nog heel vaak staan. De eiken zijn zeker meer dan 100 jaar oud. Een van de mooiste, ook al hebben de eiken hun beste tijd gehad, is de eikengaard bij boerderij ‘t Ende aan De Stapel. Maar als je goed rond kijkt  in de benedenloop van de Reest, zeg maar tussen IJhorst en Meppel, kom je ook prachtige eikengaarden tegen.

Eikengaard op IJhorst

 

Posted in Boerderijen | Tagged | Leave a comment

Eerbied en respect voor majesteit De Beuk (1)

Grillige beukenstammen zorgen voor een mystieke sfeer

Deel 1 : De beuk kwam pas later

Beukenbossen zul je op de flanken van het Reestdal niet vinden. Beukenlanen wel, hele mooie zelfs, vaak op locaties met historie. Solitaire beukenbomen zijn er nog genoeg. Soms in het bos, maar vooral in voortuinen van monumentale boerderijen. Misschien is de beuk wel de meest imponerende boom die we in ons land hebben. Samen met de eik en paardenkastanje in de top 3 van de grootste levende monumenten die we hebben. De majestueuze beuk is een sieraad in ons landschap. Een indrukwekkende boom waar we met veel respect mee om moeten gaan. Als de eik de koning van het woud wordt genoemd, dan moet de beuk zijn echtgenote zijn. In drie artikelen krijgt deze prachtige boom alle aandacht.

Takken in de winter met spitse knoppen en lege beukennootnapjes.

Waaraan herken je een beuk ?

Sommige bomen zijn best lastig om op naam te brengen, voor de beuk geldt dat niet. Vooral in de winter is het erg gemakkelijk om de boom te herkennen. De beuk heeft namelijk een grijze, gladde vaak groen aangeslagen stam, de onderste takken komen dicht bij de grond en geen andere boom heeft zulke mooie langwerpige en spitse knoppen. De bladeren voelen nogal stug aan en glimmen. Beuken vormen enorme kronen, die in de zomermaanden veel licht wegnemen. Onder een beuk ontbreekt het vaak aan begroeiing. De beuk is eenhuizig. Dat wil zeggen, dat in het voorjaar aan de boom mannelijke en vrouwelijke bloemen( katjes)te vinden zijn.

Fossiele vondsten

In Nederland zijn veel fossielen van beuken gevonden, vooral in Limburg. Denk dan aan vruchten, napjes ( omhulsel beukennootje) en bladeren. Dit soort fossielen blijken commercieel aantrekkelijk te zijn. Ze dateren uit de periode van het Piloceen. Deze periode ligt wel een stukje terug in de tijd, want we hebben het dan over een periode van 3 tot 5 miljoen jaar geleden. IJstijden deden de beuk (en andere boomsoorten) uit ons land verdwijnen. Pas veel later, in het Holoceen ( de laatste 12000 jaar), keerde de beuk weer terug.

De reis gaat naar het noorden gaat niet zo snel

Na de laatste ijstijd bestond ons land uit een boomloos gebied, begroeid met mossen, zeggen en grassen. Wind en water brachten de zaden van de eerste bomen, vooral berken en elzen en later ook de den. Daarna, ook al ging dat minder snel, volgden de bomen die voor hun voortplanting afhankelijk waren van bes-etende vogels, zoals vuilboom, lijsterbes en jeneverbes. De verspreiding van eikels en beukennootjes ging veel langzamer.

Eekhoorns zorgen voor de verspreiding van beukennootjes

Bovendien stelden beuk en eik veel hogere eisen aan klimaat en bodem dan hun voorgangers. Het heeft lang geduurd voordat de beuk zich in onze omgeving vestigde. In het boek “Eik en beuk” maakt Jac.P.Thijsse dit duidelijk aan de hand van een voorbeeld. Hij ontdekte dat de zaailingen van een beuk hooguit55 meter van de moederboom te vinden waren. Voor een eik was dat140 meter. De zaden worden verstopt door Vlaamse gaai en eekhoorn. Voordat zo’n zaailing zelf vruchten produceert moet de boom een leeftijd van minimaal vijftig jaar hebben. Pas dan schuift het areaal voor beuk en eik iets op. Thijsse rekende uit dat het voor een eik meer dan 5000 jaar duurt om de afstand tussen Limburg en Drenthe te overbruggen. Voor een beuk duurt deze reis nog langer.

Zaailingen hebben een hele kleine kans om ooit een grote beuk te worden

Alle begin is moeilijk

De zaden van de beuk worden beukennootje genoemd. Ze vallen uit de duizenden bolstertjes(napjes) die de boom rijk is. Dat is feest voor de eekhoorn, de muizen, de dassen en de vinken! De meeste zaden komen onder de moederboom terecht. Onder moeders vleugels is het vaak veilig en goed toeven. Bij de beuk ligt dat anders. Na de winter mogen al die zaadjes ontkiemen, maar al gauw blijkt dit helemaal geen goede plek! Er komt weinig licht en de dichte kroon laat ook bijna geen regenwater door. Veel kiemplantjes

Beukenlaan op de Eese bij Steenwijk

gaan dood door verdroging of nachtvorst. Het drama is echter nog niet compleet. Honderden plantjes worden opgegeten door reeën, konijnen, hazen, muizen en allerlei insecten. Misschien zal hier en daar een jonge beuk een kans krijgen. Beuken zien hun kinderen nauwelijks opgroeien. Komt nog bij, dat een beuk lang niet ieder jaar vruchten en zaden voortbrengt. Sterker nog, veel beuken doen dat slechts in de zes/zeven jaar ! Het zal je niet verbazen dat naast al die prachtige lanen de meeste beukenbossen in ons land zijn aangeplant. De jonge boompjes komen gewoon van de kwekerij.

Bodem bedekt met beukenblad en hier en daar een blad vaneen eik.

Zure bosbodem

De bladeren van de beuk zijn taai van structuur. Als ze in het najaar op de bodem van het bos terecht komen, verteren ze erg langzaam. In de strooisellaag van het bos leven miljarden insecten, wormen, bacteriën en schimmels die voortdurend bezig zijn met het afbreken van organische stoffen in voedingsstoffen die door bomen worden opgenomen. Dit proces gaat in een beukenbos dus niet zo snel. De bladlaag laat daardoor ook niet veel zuurstof door. Tel daar bij op het ontbreken van zonlicht en het mag duidelijk zijn dat er onder beuken niet veel plantengroei is. Toch zijn ze er wel. De bosanemoon is er een voorbeeld van. Het gaat vaak om planten die groeien en bloeien voordat de beuk in blad komt.

Door erosie blootgelegd wortelstelsel

Wortelstelsel is oppervlakkig, fotogeniek en beschermt tegen blikseminslag

In tegenstelling tot de eik wortelt de beuk nogal oppervlakkig. Dat levert vaak mooie sfeervolle plaatjes op. Het komt namelijk voor dat zand aan de voet van een beuk tussen de wortels wegwaait of door erosie tijdens een wolkbreuk wegspoelt. Dan komen de talloze verspreide wortels bloot te liggen. Soms ontstaat dan een prachtige speelplek voor kinderen. De wortels groeien breed uit en hebben dus veel ruimte nodig. ( die ruimte wordt boomspiegel genoemd) Het maakt een beuk ongeschikt voor de grote stad. Je ziet ze wel in grote tuinen en parken, maar nauwelijks  als straatboom.

Bouw van een dassenburcht onder een beuk

Dassen kiezen graag de wortels van een beuk uit bij het graven van een burcht. Ze vinden er ruimte en het ondergrondse bouwwerk wordt er lekker stevig van. Het wortelstelsel van de beuk komt in de problemen als er lange tijd geen regen valt. Of als de grondwaterstand veel te laag is. Het enorme neerslagtekort in de droge bloedhete zomer van 2018 was voor veel beuken alarmfase 3. Het oppervlakkig wortelen heeft ook een (zomers) voordeel. De Belgische website provinciaalnatuurcentrum.be vertelt :

“Eichen sollst du weichen, Buchen sollst du suchen” zegt men in Duitsland bij een onweer. Het betekent zoveel als: eiken moet je vermijden, beuken moet je opzoeken.Dit heeft alles te maken het wortelgestel van beuk en eik. Beuken wortelen zeer oppervlakkig en de wortels gaan niet diep. De bodem rond de beuk is ook vrij droog. Daardoor is het een slechte geleider. Eiken echter hebben een dieper wortelgestel en hebben nog vaak een penwortel uit hun jeugd. Hierdoor is de geleiding naar de aarde beter. Een bliksemschicht is een ontlading vanuit de wolken naar de grond. Hij zal de weg kiezen met de minste weerstand en dat is meestal via een eik. Eiken werden zelfs als bliksemafleider geplant in de buurt van boerderijen.

Posted in Flora | Tagged , , , , | Leave a comment

Een eenzame roodborsttapuit op Takkenhoogte

Roodborsttapuit blijft soms overwinteren

Het is koud en de lucht is grijs. Decembergrijs. Dan weet je het wel. Monotoon van kleur, de zon is volledig kansloos. Ik kijk over de vlakte van Takkenhoogte. Turend door de verrekijker zoek ik bomen en struiken. Veel brem en hier en daar een meidoorn. Een meidoorn is een  prachtige uitkijktoren voor de klapekster die hier vaak wordt gezien. Klapeksters zijn niet veel groter dan een merel, maar met het blote oog zie je ze vaak op grote afstand al zitten. Dan is het tijd om de telelens op de camera te klikken en te wachten tot ie wat dichterbij wil komen. Maar nu niet. De vogel lijkt gevlogen. De heide is niet alleen kleurloos, maar vooral stil. Heel stil.

artikel Dagblad Trouw 6 december 2021

Boven in een brem  

Op grote afstand vliegt een buizerd weg. Meer avifauna is er niet. Totdat…… een kleine twintig meter vanaf de weg beweegt er iets bovenin een brem. Een vogel op de uitkijk. Nee……….geen klapekster, daar is ie veel te klein voor en te donker van kleur. De verrekijker erbij. Een roodborsttapuit ! Mannetje. Prachtig om te zien. Het contrast tussen het kleurloze winterlandschap en deze vogel kan niet groter. Dat soorten als roodborsttapuit, klapekster en grauwe klauwier in dit deel van het Reestdal voorkomen, zegt iets over de kwaliteit van het landschap.

Boek

De roodborsttapuit op de brem doet me denken aan een boek dat pas verschenen is. Dagblad Trouw besteedt er deze week uitgebreid aandacht aan. Het boek heeft als titel “Verschenen of verdwenen” en geeft een chronologisch overzicht van 70 verschenen of verdwenen soort sinds 1900, waaronder spectaculaire nieuwe soorten als grote zilverreiger, oehoe en zeearend. Naast nieuwkomers zijn er ook soorten verdwenen, zoals de griel en ortolaan. “Ieder landschap krijgt de vogels die het verdient.” Daar is geen speld tussen te krijgen. Kijk naar het grootschalige agrarische landschap en je weet dat het klopt. In Nederland doet vooral de natte natuur het goed, maar heel veel andere biotopen staan onder grote druk. Er zijn in de afgelopen eeuw meer vogels verdwenen dan verschenen.

Posted in Fauna | Tagged , | Leave a comment

De klapekster : slimme slachter op de uitkijk

Ja hoor, hij is er weer ! De klapekster op Takkenhoogte. Rijdend of wandelend over de Nieuwe Dijk heb je een behoorlijke kans om bovenin een meidoorn of berk deze bijzondere vogel te zien. Vaak op vrij grote afstand, soms ook verrassend dichtbij. Wat is er zo bijzonder aan die klapekster ?
Dertig jaar geleden begon Koos van Zomeren over de natuur te schrijven. Zijn oeuvre is omvangrijk en in erg veel van zijn boeken staan natuur, landschap, flora en fauna centraal. In 2014 verscheen een opvallend boekje: Het verlangen naar de klapekster. De schrijver woont in Arnhem en wandelt heel vaak met de hond door bos en hei. Al gauw is Koos in de 

ban van de klapekster. Gedurende vier winters noteert hij alle waarnemingen van klapeksters. En daar blijft het niet bij. Hij zoekt contact met ornithologen en andere vogelaars die allemaal dezelfde passie voor de vogel hebben als hij. Wat maakt een klapekster zo bijzonder ? En hoe komt het dat deze wintergast bij de meeste mensen zo onbekend is ? Een prachtig boekje over deze slimme vogel met een grote persoonlijkheid. Ook ik ben een beetje besmet met het klapekstervirus. Mijn dag is helemaal goed als ik er weer eens één gezien heb. In de omgeving van het Reestdal zijn er kansen genoeg. Je moet een beetje geluk hebben en een goede verrekijker. Van afstand laat de klapekster zich namelijk goed bekijken. Maar de vogels is erg slim en is je altijd te slim af. Zo is ie weg om even later op een andere plek weer op te duiken. In dit artikel vertel ik over één van de meest aansprekende vogels die we in ons  land hebben.

klapekster met lange zwarte staat en grijze rug

Eerste kennismaking

De klapekster is geen ekster, maar een klauwier. Klauwieren zijn zangvogels met de eigenschappen van een roofvogel. Broeden doet de klapekster niet meer in ons land, maar overwinteren wel. Het favoriete biotoop is open landschap als duin en heide met ruigte en open plekken. Zit graag in top van struik, boom of op een draad. Dit gedrag maakt de klapekster op grote afstand al zichtbaar. De klapekster heeft drie belangrijke kleuren: grijs, zwart en wit. Erg mooi is de kop. Over de ogen draagt de vogel een ‘Zorromasker’, een zwarte band over de ogen. De rug is grijs, de borst wit, de staart lang en de vleugels relatief kort. Een klapekster herken je ook aan zijn vlucht: golvend en snelle vleugelslagen die afgewisseld worden door glijvluchten met ingetrokken vleugels. De snavel heeft een kort scherp haakje. De poten zijn fors met scherpe nagels , maar het zijn geen klauwen. Een klapekster kan geen prooi met zijn poten vasthouden. Dat moet ie met zijn snavel doen. Het voedsel bestaat uit muizen, kleine vogels, hagedissen en insecten. Net als zijn neef de grauwe klauwier heeft de klapekster de gewoonte om prooien aan scherpe uitsteeksels ( doorns, prikkeldraad) op te hangen.

De grauwe klauwier neemt in mei het biotoop van zijn neef klapekster over.

Lanius Excubitor : De slager die de wacht houdt

Het is altijd leuk om naar de oorsprong van de vogelnaam te kijken. Het etymologisch woordenboek van de Nederlandse Vogelnamen ( Klaas J. Eigenhuis) geeft hierover veel informatie. Eerst de Nederlandse benaming : klapekster. Het woordenboek zegt hierover : ‘een duidelijk voorbeeld van een verkeerd gekozen Nederlandse naam voor een vogelsoort.’ Een tekst uit de 18eeeuw spreekt over ‘klapekster’ en bedoelt dan een ekster (

Uit etymologisch woordenboek vogelnamen

pica pica) die heeft leren praten. Het werkwoord klappen betekent immers praten. In het gezegde ‘Uit de school klappen’ zie je dit terug. Vroeger gebruikte men het spreekwoord  ‘Hij klapt als een Aekster’. De naam klapekster is in de loop van de tijd overgegaan op een heel andere niet verwante soort. Een beetje verklaarbaar is het wel, want  zowel de ekster als de klapekster zijn bont en hebben een lange staart. Maar daar houdt de gelijkenis dan wel mee op.

De klapekster heeft nog een andere naam : de Wachter. Vroeger werd deze volksnaam gebruikt door valkeniers. De naam moet je zien als ‘hij die de wacht houdt, waakzaam is en scherp waarneemt’. ( etymologisch woordenboek Nederlandse vogelnamen) Valkeniers gebruikten de opmerkzaamheid van een gevangen klapekster om wilde roofvogels te ontdekken. Ook wordt beweerd dat Linnaeus de naam Excubitor ( wachter) gebruikte omdat de klapekster andere vogels waarschuwt bij het zien van roofvogels door dan luid te gaan krijsen. Toch wel vreemd, want klapeksters zijn nogal zwijgzaam. Bovendien vangt de klapekster zelf ook andere vogels.

Koos Dijksterhuis in dagblad Trouw over de klapekster

Dan nog even het Latijnse woord Lanius. Dat betekent slager of slachter. Dat is een negatief geladen woord voor zo’n mooie vogel. Heb je wel eens een klapekster in je verrekijker gehad ? Daar kun je alleen maar van genieten. Dan wil je het woord slachter niet horen. Toch moeten we wel realistisch blijven. Hoe mooi de vogel ook is, het is een rover. Kleine vogels, muizen, reptielen en insecten, met een Lanius Excubitor op de uitkijk ben je als heidebewoner je leven niet zeker. En half dood opgeprikt worden in een meidoorn, braam ,of nog erger in het prikkeldraad,  is ook geen lolletje.

Wintergast

De klapekster wil niet meer in ons land broeden. Sinds een jaar of twintig moeten we hem in de zomerperiode missen. Het Hulshorsterzand op de Veluwe wordt genoemd als laatste plek waar een broedsel (van drie jongen) uitvloog. Ooit broedden er honderden paren klapeksters in ons land, maar het landschap zag er toen heel anders uit: veel woeste gronden van heide en venen, kleinschalig landschap met veel ruigte en onbenutte hoekjes, veel stille natuur, niet dat nette aangeharkte landschap met hier en daar nog wat natuur, zoals het Nederland van de 21e eeuw. Om zich voort te planten zoeken de klapeksters het liever hoger op, in Zweden, Finland of Polen. In de winter wordt het vinden van prooidieren daar een lastig verhaal en besluiten ze om wat naar het zuiden af te zakken. Gemiddeld blijven zo’n 300 tot 400 klapeksters bij ons in de periode november tot en met maart.  Er zijn goede ( 400-600) en slechte ( 150-300) klapeksterjaren. Dit heeft waarschijnlijk  te maken met broedresultaten in het noorden. Klapeksters hebben voorkeur voor natuurlijke landschappen als heidevelden, hoogvenen, moerasgebieden, kapvlaktes, zandverstuivingen, duinen en kleinschalig cultuurland.

Klapekster in winterzonnetje

Winterterritorium

De klapekster heeft een eigen territorium.  Je ziet de vogels dus vaak in zijn eentje. Soortgenoten jaagt ie weg. Die moeten maar een ander gebied zoeken. In de 1000 ha grote Engbertsdijksvenen ( hoogveengebied bij Kloosterhaar) komen meestal maximaal 5 klapeksters voor.(Twentse Vogelwerkgroep) Onderzoek toonde aan, dat het territorium van een klapekster heel groot is. Het kan variëren van 50 tot 250 ha, soms zelfs nog groter. Binnen dit gebied heeft de klapekster dan een aantal kleinere kernen waar hij actief is en op zoek gaat naar voedsel. Dat verklaart ook het onvoorspelbare gedrag van de vogel. Zie je bijvoorbeeld drie dagen achter elkaar een klapekster op hetzelfde heideterrein, kijk dan niet vreemd op dat hij daarna spoorloos verdwenen is. De klapekster op Takkenhoogte bijvoorbeeld zit een dag later misschien een week op het Nolderveld om daarna de heide van de Wildenberg te bezoeken. En wie weet waar hij allemaal nog zit. Dat wispelturige en geheimzinnige gedrag  maakt het moment dat je hem weer ziet altijd bijzonder !

Voedsel

Klapekster met prooi

De klapekster is een opportunist en eet prooidieren die het meest in zijn biotoop voorkomen. Op droge heiden en stuifzanden worden vaak mestkevers gevangen, in nattere gebieden zoals hoogvenen zijn dat vooral muizen. In het vroege voorjaar, de meeste klapeksters vertrekken pas in april, staan veel levendbarende hagedissen op het menu. In hoogvenen, zoals de Engbertsdijksvenen worden ook heikikkers gegeten.  Kleine zangvogels zoals mezen en vinken worden ook gegeten. Zoals eerder vermeld is een klapekster niet goed in staat om prooi in zijn poten mee te nemen. Dat moet ie met zijn snavel doen. Het haakje aan zijn snavel zal hem daarbij helpen. Meestal wordt een prooi snel op gegeten. Op koude winterdagen heeft de vogel veel energie nodig. Men heeft ontdekt dat in de namiddag, vlak voor de avond valt,  grotere prooien (muizen) worden gegeten. Zo’n lekker hapje kan dan ook uit de ‘voorraadkast’ komen. Net als neefje grauwe klauwier legt de klapekster vaak een voorraadje aan van prooien die hij op scherpe takken of doorns spietst.

Archemermaten: in de winter de klapekster ,in de zomer de grauwe klauwier

Om een idee te geven wat een klapekster zoal naar binnen werkt volgt hier een fragment uit het boekje ‘Het verlangen naar klapekster’ Koos van Zomeren. Het gaat over het gedrag van één klapekster in het Gooi waargenomen op 28 maart in 2012 : ….’de van der Poels ( onderzoekers) hebben van de ochtend tot de avond hun klapekster in de gaten gehouden, speciaal om wat hij teweeg bracht in de plaatselijke populatie levendbarende hagedissen. Hij bleek de dag te beginnen met het verorberen van twee gehangen hagedissen van de vorige dag. In vervolg daarop werden er die dag in totaal 18 gevangen, waarvan er 13 direct of na kortere tijd werden opgegeten. Vijf beesten bleven

Een klapekster pakt ook nogal eens een winterkoning

dus hangen voor later.’  In het tijdschrift Ravon plaatsten Paul en Loes van der Poel een artikel over het foerageergedrag van klapeksters. In de winter van 2009/2010 werden de gespietste of geklemde prooien van één klapekster geteld. De oogst was erg indrukwekkend: 35 insecten ( veel kevers), 26 zoogdieren ( muizensoorten), 40 vogels ( winterkoning, mees en roodborst), 38 reptielen ( levendbarende hagedissen). Doorgaans worden de prooien op een vaste plek verwerkt :  laten we het maar de slachtplaats van Lanius Excubitor noemen. We weten precies wat  klapeksters eten dankzij braakbalonderzoek. Braakballen worden gevonden onder slaapbomen.

Klapeksterbiotoop in Engbertsdijksvenen

Biotoop

Eerst maar even een paar voorbeelden landschappen waar je de klapekster niet gauw zult aantreffen : in bossen en het agrarische landschap. Een klapekster die in ons land de winter doorbrengt heeft namelijk  een paar noten op zijn zang. Het landschap moet open

klapeksters houden niet van heide die vergrast

zijn, liefst een beetje glooiend met hier en daar een boom of struik. ( als uitkijkpost en slaapboom) De vegetatie moet kort zijn met open plekken. Heide bijvoorbeeld moet niet te nat en zeker niet te hoog. Heide die sterk aan het vergassen is of bedekt met hoge en dichte planten van struikheide is bij klapeksters niet populair. Net als geplagde heide. Daar is ook niets eetbaars te vinden. Voor het vangen van kevers, muizen en hagedissen heb je open ruimtes nodig. Een onderzoek op de Veluwe kwam met een verrassende conclusie. Klapeksters houden ook van ruige akkers. Ze vangen er veel muizen.

Is er nog toekomst voor de klapekster in ons drukke landje ?

Ja, er zijn positieve ontwikkelingen. Ook negatieve trouwens. Eerst naar de goede kant van de zaak. Om het klapeksters naar de zin te maken is het herstellen van grotere heide- en hoogvenen nodig. Landschap Overijssel bijvoorbeeld is momenteel op de Lemelerberg en bij Beerze bezig  grote oppervlakten aan bos om te zetten naar heide. Dat betekent dat er

bos maakt plaats voor heide op de Lemelerberg

meer leefruimte voor de klapekster komt. Het zal nog wel wat jaren duren voordat deze gebieden zo verruigd en gevarieerd zijn dat er genoeg voedselaanbod is, maar het zijn stappen op de goede weg. Grote grazers op de heide, zoals koeien en schapen, zorgen voor meer mestkevers . Bovendien komt er meer variatie in het landschap en neemt de biodiversiteit (lees : meer voedselaanbod zoals muizen en kleine zangvogels ) toe. De aanleg van natuur- en wildakkers en bloemrijke akkerranden is ook gunstig. De akkers worden niet geoogst en trekken in de winter veel muizen en vogels aan. Kan gunstig

Grote grazers zorgen indirect voor meer mestkevers

uitpakken voor overwinterende klapeksters, zeker als deze akkers aan de randen van heidevelden liggen. Nadelig voor klapeksters is de toename van onrust in overwinteringsgebieden. In sommige terreinen is de recreatiedruk groot en wordt de klapekster gedwongen om zich te verplaatsen. Een mo0i voorbeeld was in de winter van 2020/2021 de coronadrukte. Op Takkenhoogte liet de klapekster zich niet zien. Over het algemeen laten klapeksters zich op afstand goed bekijken, maar vaak gaan ze toch op de vlucht. De achteruitgang van insecten kan ook negatief uitpakken. We weten dat de vogels veel kevers eten. Wat voor invloed dit heeft op het menu van de klapekster moeten we nog maar afwachten.

Struin met je verrekijker de vlakte af en let op de toppen van bomen en struiken

Hoe ontdek je een klapekster ?

Weet wel waar je aan begint als je op zoek gaat naar je eerste klapekster. De kans bestaat dat je bij het ontdekken van je eerste exemplaar voorgoed ‘verloren’ bent. Titels van verslagen en boeken als ‘In de ban van de klapekster’ of ‘Het verlangen naar klapekster’ zeggen genoeg. Er zijn vogelaars die niet meer normaal  een heide kunnen bezoeken. Ze móeten met de kijker de vlakte afturen op zoek naar de ene vogel in de top van een boom of struik.  Als je eenmaal door hebt hoe een typisch klapekstergebied er uit ziet, wordt de kans op een ontmoeting groter. In het Reestdal kun je een klapekster dus tegenkomen op de heide van Takkenhoogte, Meeuwenveen en De Wildenberg. Waarschijnlijk ook in de Vledders, maar daar mag je niet komen. Net als de Archemermaten langs de Regge bij de stuw van Archem. Ook niet toegankelijk, maar wel een mooi klapeksterbiotooop.  Gelukkig kun je vanaf de randen vaak de terreinen goed overzien. Ik heb klapeksters waargenomen in de Engbertsdijksvenen, op het Dwingelderveld en op Takkenhoogte. In de Junner Koelanden is de kans op een ontmoeting ook groot. Kijk op de website www.waarneming.nl Daar vind je actuele waarnemingen van klapeksters.

Neef grauwe klauwier broedt wel in ons land

Waarom broedt ie hier niet meer ?

Het antwoord op deze vraag is lastig te geven. De grauwe klauwier, qua gedrag en voedselkeuze lijkend op zijn neef klapekster, broedt wel in ons land. Sterker nog, het gaat steeds beter met deze vogel. Hij voelt zich thuis in typische klapeksterbiotopen, houdt ook van open terrein met veel variatie en struwelen. Eet ook insecten, muizen, reptielen, vogels, dus klapekster : wat let je ? In 1999 de laatste klapekster broedende klapekster in ons land , een come-back van deze prachtige vogel zou erg mooi zijn.

Gebruikte bronnen :

Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen – Klaas J.Eigenhuis

Vogels van Europa- Lars Jonsson

Het verlangen naar klapekster- Koos van Zomeren

Vogelatlas van Nederland -Sovon uitgave 2018

Kwartaalblad 67 Het Drentse Landschap

Eigen waarnemingen

Informatieve links :

- Over het onderzoek van Paul  van der Poel in de winter van 2010/2011

- Over Groningse klapeksters in 2016 

- Over de conditie,dieet en plaatstrouw van klapeksters op de Veluwe en de  Engbertsdijksvenen

- Over aantallen en verspreiding in Nederland

- Algemene informatie over de klapekster van Vogelbescherming 

- Mooi filmpje op  YouTube

- Youri in de ban van de klapekster op YouTube

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Posted in Fauna | Tagged , , , , , | Leave a comment