Eerbied en respect voor majesteit de beuk (2)

Deel 2 :  over boek , sfeervolle beukenbossen en  concurrent de eik 

Beukenbossen zul je op de flanken van het Reestdal niet vinden. Beukenlanen wel, hele mooie zelfs, vaak op locaties met historie. Solitaire beukenbomen zijn er nog genoeg. Soms in het bos, maar vooral in voortuinen van monumentale boerderijen. Misschien is de beuk wel de meest imponerende boom die we in ons land hebben. Samen met de eik en paardenkastanje in de top 3 van de grootste levende monumenten die we hebben. De majestueuze beuk is een sieraad in ons landschap. Een indrukwekkende boom waar we met veel respect mee om moeten gaan. Als de eik de koning van het woud wordt genoemd, dan moet de beuk zijn echtgenote zijn.

In drie artikelen krijgt deze prachtige boom alle aandacht.

De vink wordt ook wel boekvink genoemd. Deze zaadeter is dol op beukennootjes.

Over Boekeloo, boekvink, boekstaven en boekweit 

De naam Beuk komt van het woord Boek. Je komt het woordje “boek” nog tegen in woorden als Boekelo ( loo=bos), Boekel, boekvink en boekweit.( boekweitzaadjes lijken op beukennootjes en weit =meel). Bij het uitvinden van de boekdrukkunst werd o.a. beukenhout gebruikt om er letters of andere tekens uit te snijden : boekstaven. Dit waren stokjes van beukenhout. Het Duitse woord voor letters (Buchstaben) is zo goed te verklaren. Het grappige is dat de schors van de beuk vooral

Boekweitzaadjes lijken erg veel op beukennootjes

vroeger werd gebruikt om er namen, jaartallen en hartjes in te kerven. Ook een manier om met behulp van de beuk te schrijven. Maar over die schors later meer.

Beukenbossen

 Zoals eerder vermeld kent het Reestdal geen grote beukenbossen. Wel beukenlanen en groepen beuken op landgoederen zoals Dickninge. En natuurlijk de solitaire (rode) beuken in de voortuinen van boerderijen. Hier en daar staan solitaire beuken in de bossen, zoals op Rabbinge en in de Haardennen. Toch is het goed om aandacht te besteden aan het biotoop beukenbos, want er valt veel over te vertellen.

Uitgroeide beukenhaag op Den Westerhuis

Op de armere zandgronden hebben beukenbossen een dikke zure strooisellaag die heel moeilijke verteert. Ondergroei is er nauwelijks. Het bladerdak van de beuk is namelijk erg dicht en laat weinig licht door. De planten die er wel bloeien houden van schaduw. Denk

Dalkruid bloeit als de bomen al in het blad staan. Schaduwplant.

hierbij aan dalkruid, lelietje van dalen en salomonszegel. Een struiklaag is er niet of nauwelijks. Door het gebrek aan variatie in de ondergroei doet zo’n beukenbos monotoon en saai aan. Het is maar hoe je het bekijkt. Juist door die afwezigheid van een struiklaag krijgt een beukenbos diepte en perspectief. Bij nevelig weer levert dat een hele aparte, wat mystiek sfeer op. Verre van saai!

Tweehonderd jaar geleden was Nederland slechts voor 3% bedekt met bos. (Nu is dat 10%.) Sinds die tijd is er veel nieuw bos aangeplant. Daar hadden onze voorouders meerdere redenen voor. Beuken bossen zijn in de meeste gevallen aangeplant. Dat is ook goed te zien. Vaak staan de bomen nog in rijen, al zijn veel bomen gekapt of door ouderdom en sterfte verdwenen of omgevallen. Het bos wordt er wel spannender door. Vaak werden de mooie rechte bomen uit de bossen geoogst en bleven de kromme exemplaren staan.

Veel dood hout zorgt voor een grote biodiversiteit aan schimmels en insecten.

In beukenbossen komen niet veel vogelsoorten voor. De zwarte specht wel, die heeft een sterke voorkeur voor beukenhout om er een nest in te hakken. Indirect zorgt dat gehak voor meer diversiteit, want verlaten spechtenholen worden gekraakt door o.a. holenduiven, boommarters en vleermuizen. Het beukenbos is wel erg rijk aan

Echte tonderzwam op de stam van een beuk

paddenstoelen. Schimmels hebben door de afwezigheid van bladgroen geen licht nodig om te leven, in het beukenbos kunnen ze prima met de wortels van al die beuken samenleven. Soms wordt een gezonde beuk aangetast door een schimmel zoals de echte tonderzwam die op zwakke levende bomen parasiteert. De  boom legt naar verloop van tijd het loodje. Jammer, maar ecologisch gezien geen ramp, want een stervende boom zal voeding leveren aan een heleboel andere soorten paddenstoelen. De één z’n dood………

Beuk en eik

In de Europese bossen spelen beuk en eik een belangrijke rol. Vooral de band tussen eik en mens is altijd hecht geweest : het hout is stevig en je kunt er

Op weg naar het licht wint de beuk het van de eik

van alles mee. Het hout van de beuk is minder populair. Ecologen ontdekten op een eik een veel hogere biodiversiteit. Echter, als je de twee bomen in het bos als concurrenten bekijkt wint de beuk. Neem de groei. Staan een jonge eik en beuk in het bos naast elkaar, dan zal de beuk de wedstrijd naar het zonlicht  winnen. Al gauw zal het dichte bladerdak van de beuk de eik overschaduwen. De eik staat in de schaduw en verpietert. In een eikenbos kan een beuk groeien en groot worden, maar een eik in een beukenbos ? Dat wordt niks.

Posted in Flora | Tagged , , , , , , | Leave a comment

Eikengaard : voorbeeld van toekomstvisie in het verleden

Eikengaard achter boerderij op Den Kaat

Denken in korte termijnen is zo menselijk als wat. Je ziet het vaak om je heen. Politici zijn er heel goed in. Vooral bezig zijn met de waan van de dag. Vaak komen ze in actie als het (bijna) te laat is. Vrijwel nooit luisteren naar signalen uit de samenleving. Dan moet er een rechtbank aan te pas komen om de boel wakker te schudden. De stikstofcrisis is er een voorbeeld van. Net als de klimaatcrisis. Dat de biodiversiteit achteruit holt, de zeespiegel stijgt en het klimaat steeds grilliger wordt weten we al jaren. Dat zijn geen donderslagen bij heldere hemel. Waarom dan toch zo weinig interesse in de nabije toekomst? Regeren is toch vooruitzien ?

Gebinten van eikenhout

Gebinten

In de 18e en 19e eeuw deden de boeren dat wel: denken aan de wereld van hun kinderen en kleinkinderen. Naast of achter de boerderij werden, vaak keurig in rijen, eiken geplant. Geen struiklaag, alleen gras. Een eikenplantage. Eiken groeien langzaam, de boeren wisten dat. Ze wisten ook, dat  niet zij maar de volgende generatie(s) plezier van deze eiken zouden hebben. “Boompje groot, plantertje (opa of grootvader)  dood.”Als de boerderij

Gebinten met een pen-gat verbinding. Er kwam geen spijker aan te pas.

werd uitgebreid of moest worden opgeknapt werden een paar eiken uit de eikengaard geveld. De bomen leverden de gebinten, het geraamte voor de nieuwe aanbouw. Eikenhout was toen al duur, als je het hout zelf kon leveren was dat mooi meegenomen. Houthandelaars uit de streek hadden ook vaak belang bij die mooie grote opgaande eikenstammen. Scheepstimmerbedrijven uit Meppel bijvoorbeeld stonden vooraan als het hout op stam werd geveild. Er werden flinke bedragen voor neergeteld.

Functioneel 

De boeren van toen ( 18e,19e en begin 20ste eeuw) waren zo praktisch als het maar kon. Het boerenerf was helemaal ingericht op basis van nut. Alles draaide om eenvoud.

Boerenerf

Gebouwen en inrichting waren vooral functioneel. Er was nauwelijks geld, zeker niet voor luxe. De gebouwen werden gebouwd met materialen uit de omgeving. Eikenhout dus. Voor het bouwen van schuren of  het timmeren van een doodskist. Maar ook riet. Een typische Reestdalboerderij bestond uit twee gedeelten: het werkgedeelte (domein van hem) was rietgedekt, het woongedeelte (domein van haar) had een pannendak. Leilindes gaven het woongedeelte bescherming tegen de warme zon, op het erf oogstte je fruit uit de boomgaard. En de moestuin ontbrak natuurlijk ook niet.

Eikengaarde als naam 

Veel mensen kennen het begrip eikengaarde niet. Toch is de kans groot, dat ze wel het woord kennen. In ons land komt de naam Eikengaard(e)  voor bij boerderijen, vakantiehuizen en straatnamen. De vraag is natuurlijk of al die bewoners van de 49 woningen aan De Eikengaard in Boxtel weten wat een eikengaard is………..

Eikengaard bij boerderij 't Ende

Ze zijn er nog 

Gelukkig zijn er nog veel eikengaarden bewaard gebleven. Op veel plaatsen in de benedenloop van Het Reestdal zie je ze bij grote boerderijen nog heel vaak staan. De eiken zijn zeker meer dan 100 jaar oud. Een van de mooiste, ook al hebben de eiken hun beste tijd gehad, is de eikengaard bij boerderij ‘t Ende aan De Stapel. Maar als je goed rond kijkt  in de benedenloop van de Reest, zeg maar tussen IJhorst en Meppel, kom je ook prachtige eikengaarden tegen.

Eikengaard op IJhorst

 

Posted in Boerderijen | Tagged | Leave a comment

Eerbied en respect voor majesteit De Beuk (1)

Grillige beukenstammen zorgen voor een mystieke sfeer

Deel 1 : De beuk kwam pas later

Beukenbossen zul je op de flanken van het Reestdal niet vinden. Beukenlanen wel, hele mooie zelfs, vaak op locaties met historie. Solitaire beukenbomen zijn er nog genoeg. Soms in het bos, maar vooral in voortuinen van monumentale boerderijen. Misschien is de beuk wel de meest imponerende boom die we in ons land hebben. Samen met de eik en paardenkastanje in de top 3 van de grootste levende monumenten die we hebben. De majestueuze beuk is een sieraad in ons landschap. Een indrukwekkende boom waar we met veel respect mee om moeten gaan. Als de eik de koning van het woud wordt genoemd, dan moet de beuk zijn echtgenote zijn. In drie artikelen krijgt deze prachtige boom alle aandacht.

Takken in de winter met spitse knoppen en lege beukennootnapjes.

Waaraan herken je een beuk ?

Sommige bomen zijn best lastig om op naam te brengen, voor de beuk geldt dat niet. Vooral in de winter is het erg gemakkelijk om de boom te herkennen. De beuk heeft namelijk een grijze, gladde vaak groen aangeslagen stam, de onderste takken komen dicht bij de grond en geen andere boom heeft zulke mooie langwerpige en spitse knoppen. De bladeren voelen nogal stug aan en glimmen. Beuken vormen enorme kronen, die in de zomermaanden veel licht wegnemen. Onder een beuk ontbreekt het vaak aan begroeiing. De beuk is eenhuizig. Dat wil zeggen, dat in het voorjaar aan de boom mannelijke en vrouwelijke bloemen( katjes)te vinden zijn.

Fossiele vondsten

In Nederland zijn veel fossielen van beuken gevonden, vooral in Limburg. Denk dan aan vruchten, napjes ( omhulsel beukennootje) en bladeren. Dit soort fossielen blijken commercieel aantrekkelijk te zijn. Ze dateren uit de periode van het Piloceen. Deze periode ligt wel een stukje terug in de tijd, want we hebben het dan over een periode van 3 tot 5 miljoen jaar geleden. IJstijden deden de beuk (en andere boomsoorten) uit ons land verdwijnen. Pas veel later, in het Holoceen ( de laatste 12000 jaar), keerde de beuk weer terug.

De reis gaat naar het noorden gaat niet zo snel

Na de laatste ijstijd bestond ons land uit een boomloos gebied, begroeid met mossen, zeggen en grassen. Wind en water brachten de zaden van de eerste bomen, vooral berken en elzen en later ook de den. Daarna, ook al ging dat minder snel, volgden de bomen die voor hun voortplanting afhankelijk waren van bes-etende vogels, zoals vuilboom, lijsterbes en jeneverbes. De verspreiding van eikels en beukennootjes ging veel langzamer.

Eekhoorns zorgen voor de verspreiding van beukennootjes

Bovendien stelden beuk en eik veel hogere eisen aan klimaat en bodem dan hun voorgangers. Het heeft lang geduurd voordat de beuk zich in onze omgeving vestigde. In het boek “Eik en beuk” maakt Jac.P.Thijsse dit duidelijk aan de hand van een voorbeeld. Hij ontdekte dat de zaailingen van een beuk hooguit55 meter van de moederboom te vinden waren. Voor een eik was dat140 meter. De zaden worden verstopt door Vlaamse gaai en eekhoorn. Voordat zo’n zaailing zelf vruchten produceert moet de boom een leeftijd van minimaal vijftig jaar hebben. Pas dan schuift het areaal voor beuk en eik iets op. Thijsse rekende uit dat het voor een eik meer dan 5000 jaar duurt om de afstand tussen Limburg en Drenthe te overbruggen. Voor een beuk duurt deze reis nog langer.

Zaailingen hebben een hele kleine kans om ooit een grote beuk te worden

Alle begin is moeilijk

De zaden van de beuk worden beukennootje genoemd. Ze vallen uit de duizenden bolstertjes(napjes) die de boom rijk is. Dat is feest voor de eekhoorn, de muizen, de dassen en de vinken! De meeste zaden komen onder de moederboom terecht. Onder moeders vleugels is het vaak veilig en goed toeven. Bij de beuk ligt dat anders. Na de winter mogen al die zaadjes ontkiemen, maar al gauw blijkt dit helemaal geen goede plek! Er komt weinig licht en de dichte kroon laat ook bijna geen regenwater door. Veel kiemplantjes

Beukenlaan op de Eese bij Steenwijk

gaan dood door verdroging of nachtvorst. Het drama is echter nog niet compleet. Honderden plantjes worden opgegeten door reeën, konijnen, hazen, muizen en allerlei insecten. Misschien zal hier en daar een jonge beuk een kans krijgen. Beuken zien hun kinderen nauwelijks opgroeien. Komt nog bij, dat een beuk lang niet ieder jaar vruchten en zaden voortbrengt. Sterker nog, veel beuken doen dat slechts in de zes/zeven jaar ! Het zal je niet verbazen dat naast al die prachtige lanen de meeste beukenbossen in ons land zijn aangeplant. De jonge boompjes komen gewoon van de kwekerij.

Bodem bedekt met beukenblad en hier en daar een blad vaneen eik.

Zure bosbodem

De bladeren van de beuk zijn taai van structuur. Als ze in het najaar op de bodem van het bos terecht komen, verteren ze erg langzaam. In de strooisellaag van het bos leven miljarden insecten, wormen, bacteriën en schimmels die voortdurend bezig zijn met het afbreken van organische stoffen in voedingsstoffen die door bomen worden opgenomen. Dit proces gaat in een beukenbos dus niet zo snel. De bladlaag laat daardoor ook niet veel zuurstof door. Tel daar bij op het ontbreken van zonlicht en het mag duidelijk zijn dat er onder beuken niet veel plantengroei is. Toch zijn ze er wel. De bosanemoon is er een voorbeeld van. Het gaat vaak om planten die groeien en bloeien voordat de beuk in blad komt.

Door erosie blootgelegd wortelstelsel

Wortelstelsel is oppervlakkig, fotogeniek en beschermt tegen blikseminslag

In tegenstelling tot de eik wortelt de beuk nogal oppervlakkig. Dat levert vaak mooie sfeervolle plaatjes op. Het komt namelijk voor dat zand aan de voet van een beuk tussen de wortels wegwaait of door erosie tijdens een wolkbreuk wegspoelt. Dan komen de talloze verspreide wortels bloot te liggen. Soms ontstaat dan een prachtige speelplek voor kinderen. De wortels groeien breed uit en hebben dus veel ruimte nodig. ( die ruimte wordt boomspiegel genoemd) Het maakt een beuk ongeschikt voor de grote stad. Je ziet ze wel in grote tuinen en parken, maar nauwelijks  als straatboom.

Bouw van een dassenburcht onder een beuk

Dassen kiezen graag de wortels van een beuk uit bij het graven van een burcht. Ze vinden er ruimte en het ondergrondse bouwwerk wordt er lekker stevig van. Het wortelstelsel van de beuk komt in de problemen als er lange tijd geen regen valt. Of als de grondwaterstand veel te laag is. Het enorme neerslagtekort in de droge bloedhete zomer van 2018 was voor veel beuken alarmfase 3. Het oppervlakkig wortelen heeft ook een (zomers) voordeel. De Belgische website provinciaalnatuurcentrum.be vertelt :

“Eichen sollst du weichen, Buchen sollst du suchen” zegt men in Duitsland bij een onweer. Het betekent zoveel als: eiken moet je vermijden, beuken moet je opzoeken.Dit heeft alles te maken het wortelgestel van beuk en eik. Beuken wortelen zeer oppervlakkig en de wortels gaan niet diep. De bodem rond de beuk is ook vrij droog. Daardoor is het een slechte geleider. Eiken echter hebben een dieper wortelgestel en hebben nog vaak een penwortel uit hun jeugd. Hierdoor is de geleiding naar de aarde beter. Een bliksemschicht is een ontlading vanuit de wolken naar de grond. Hij zal de weg kiezen met de minste weerstand en dat is meestal via een eik. Eiken werden zelfs als bliksemafleider geplant in de buurt van boerderijen.

Posted in Flora | Tagged , , , , | Leave a comment

Een eenzame roodborsttapuit op Takkenhoogte

Roodborsttapuit blijft soms overwinteren

Het is koud en de lucht is grijs. Decembergrijs. Dan weet je het wel. Monotoon van kleur, de zon is volledig kansloos. Ik kijk over de vlakte van Takkenhoogte. Turend door de verrekijker zoek ik bomen en struiken. Veel brem en hier en daar een meidoorn. Een meidoorn is een  prachtige uitkijktoren voor de klapekster die hier vaak wordt gezien. Klapeksters zijn niet veel groter dan een merel, maar met het blote oog zie je ze vaak op grote afstand al zitten. Dan is het tijd om de telelens op de camera te klikken en te wachten tot ie wat dichterbij wil komen. Maar nu niet. De vogel lijkt gevlogen. De heide is niet alleen kleurloos, maar vooral stil. Heel stil.

artikel Dagblad Trouw 6 december 2021

Boven in een brem  

Op grote afstand vliegt een buizerd weg. Meer avifauna is er niet. Totdat…… een kleine twintig meter vanaf de weg beweegt er iets bovenin een brem. Een vogel op de uitkijk. Nee……….geen klapekster, daar is ie veel te klein voor en te donker van kleur. De verrekijker erbij. Een roodborsttapuit ! Mannetje. Prachtig om te zien. Het contrast tussen het kleurloze winterlandschap en deze vogel kan niet groter. Dat soorten als roodborsttapuit, klapekster en grauwe klauwier in dit deel van het Reestdal voorkomen, zegt iets over de kwaliteit van het landschap.

Boek

De roodborsttapuit op de brem doet me denken aan een boek dat pas verschenen is. Dagblad Trouw besteedt er deze week uitgebreid aandacht aan. Het boek heeft als titel “Verschenen of verdwenen” en geeft een chronologisch overzicht van 70 verschenen of verdwenen soort sinds 1900, waaronder spectaculaire nieuwe soorten als grote zilverreiger, oehoe en zeearend. Naast nieuwkomers zijn er ook soorten verdwenen, zoals de griel en ortolaan. “Ieder landschap krijgt de vogels die het verdient.” Daar is geen speld tussen te krijgen. Kijk naar het grootschalige agrarische landschap en je weet dat het klopt. In Nederland doet vooral de natte natuur het goed, maar heel veel andere biotopen staan onder grote druk. Er zijn in de afgelopen eeuw meer vogels verdwenen dan verschenen.

Posted in Fauna | Tagged , | Leave a comment

De klapekster : slimme slachter op de uitkijk

Ja hoor, hij is er weer ! De klapekster op Takkenhoogte. Rijdend of wandelend over de Nieuwe Dijk heb je een behoorlijke kans om bovenin een meidoorn of berk deze bijzondere vogel te zien. Vaak op vrij grote afstand, soms ook verrassend dichtbij. Wat is er zo bijzonder aan die klapekster ?
Dertig jaar geleden begon Koos van Zomeren over de natuur te schrijven. Zijn oeuvre is omvangrijk en in erg veel van zijn boeken staan natuur, landschap, flora en fauna centraal. In 2014 verscheen een opvallend boekje: Het verlangen naar de klapekster. De schrijver woont in Arnhem en wandelt heel vaak met de hond door bos en hei. Al gauw is Koos in de 

ban van de klapekster. Gedurende vier winters noteert hij alle waarnemingen van klapeksters. En daar blijft het niet bij. Hij zoekt contact met ornithologen en andere vogelaars die allemaal dezelfde passie voor de vogel hebben als hij. Wat maakt een klapekster zo bijzonder ? En hoe komt het dat deze wintergast bij de meeste mensen zo onbekend is ? Een prachtig boekje over deze slimme vogel met een grote persoonlijkheid. Ook ik ben een beetje besmet met het klapekstervirus. Mijn dag is helemaal goed als ik er weer eens één gezien heb. In de omgeving van het Reestdal zijn er kansen genoeg. Je moet een beetje geluk hebben en een goede verrekijker. Van afstand laat de klapekster zich namelijk goed bekijken. Maar de vogels is erg slim en is je altijd te slim af. Zo is ie weg om even later op een andere plek weer op te duiken. In dit artikel vertel ik over één van de meest aansprekende vogels die we in ons  land hebben.

klapekster met lange zwarte staat en grijze rug

Eerste kennismaking

De klapekster is geen ekster, maar een klauwier. Klauwieren zijn zangvogels met de eigenschappen van een roofvogel. Broeden doet de klapekster niet meer in ons land, maar overwinteren wel. Het favoriete biotoop is open landschap als duin en heide met ruigte en open plekken. Zit graag in top van struik, boom of op een draad. Dit gedrag maakt de klapekster op grote afstand al zichtbaar. De klapekster heeft drie belangrijke kleuren: grijs, zwart en wit. Erg mooi is de kop. Over de ogen draagt de vogel een ‘Zorromasker’, een zwarte band over de ogen. De rug is grijs, de borst wit, de staart lang en de vleugels relatief kort. Een klapekster herken je ook aan zijn vlucht: golvend en snelle vleugelslagen die afgewisseld worden door glijvluchten met ingetrokken vleugels. De snavel heeft een kort scherp haakje. De poten zijn fors met scherpe nagels , maar het zijn geen klauwen. Een klapekster kan geen prooi met zijn poten vasthouden. Dat moet ie met zijn snavel doen. Het voedsel bestaat uit muizen, kleine vogels, hagedissen en insecten. Net als zijn neef de grauwe klauwier heeft de klapekster de gewoonte om prooien aan scherpe uitsteeksels ( doorns, prikkeldraad) op te hangen.

De grauwe klauwier neemt in mei het biotoop van zijn neef klapekster over.

Lanius Excubitor : De slager die de wacht houdt

Het is altijd leuk om naar de oorsprong van de vogelnaam te kijken. Het etymologisch woordenboek van de Nederlandse Vogelnamen ( Klaas J. Eigenhuis) geeft hierover veel informatie. Eerst de Nederlandse benaming : klapekster. Het woordenboek zegt hierover : ‘een duidelijk voorbeeld van een verkeerd gekozen Nederlandse naam voor een vogelsoort.’ Een tekst uit de 18eeeuw spreekt over ‘klapekster’ en bedoelt dan een ekster (

Uit etymologisch woordenboek vogelnamen

pica pica) die heeft leren praten. Het werkwoord klappen betekent immers praten. In het gezegde ‘Uit de school klappen’ zie je dit terug. Vroeger gebruikte men het spreekwoord  ‘Hij klapt als een Aekster’. De naam klapekster is in de loop van de tijd overgegaan op een heel andere niet verwante soort. Een beetje verklaarbaar is het wel, want  zowel de ekster als de klapekster zijn bont en hebben een lange staart. Maar daar houdt de gelijkenis dan wel mee op.

De klapekster heeft nog een andere naam : de Wachter. Vroeger werd deze volksnaam gebruikt door valkeniers. De naam moet je zien als ‘hij die de wacht houdt, waakzaam is en scherp waarneemt’. ( etymologisch woordenboek Nederlandse vogelnamen) Valkeniers gebruikten de opmerkzaamheid van een gevangen klapekster om wilde roofvogels te ontdekken. Ook wordt beweerd dat Linnaeus de naam Excubitor ( wachter) gebruikte omdat de klapekster andere vogels waarschuwt bij het zien van roofvogels door dan luid te gaan krijsen. Toch wel vreemd, want klapeksters zijn nogal zwijgzaam. Bovendien vangt de klapekster zelf ook andere vogels.

Koos Dijksterhuis in dagblad Trouw over de klapekster

Dan nog even het Latijnse woord Lanius. Dat betekent slager of slachter. Dat is een negatief geladen woord voor zo’n mooie vogel. Heb je wel eens een klapekster in je verrekijker gehad ? Daar kun je alleen maar van genieten. Dan wil je het woord slachter niet horen. Toch moeten we wel realistisch blijven. Hoe mooi de vogel ook is, het is een rover. Kleine vogels, muizen, reptielen en insecten, met een Lanius Excubitor op de uitkijk ben je als heidebewoner je leven niet zeker. En half dood opgeprikt worden in een meidoorn, braam ,of nog erger in het prikkeldraad,  is ook geen lolletje.

Wintergast

De klapekster wil niet meer in ons land broeden. Sinds een jaar of twintig moeten we hem in de zomerperiode missen. Het Hulshorsterzand op de Veluwe wordt genoemd als laatste plek waar een broedsel (van drie jongen) uitvloog. Ooit broedden er honderden paren klapeksters in ons land, maar het landschap zag er toen heel anders uit: veel woeste gronden van heide en venen, kleinschalig landschap met veel ruigte en onbenutte hoekjes, veel stille natuur, niet dat nette aangeharkte landschap met hier en daar nog wat natuur, zoals het Nederland van de 21e eeuw. Om zich voort te planten zoeken de klapeksters het liever hoger op, in Zweden, Finland of Polen. In de winter wordt het vinden van prooidieren daar een lastig verhaal en besluiten ze om wat naar het zuiden af te zakken. Gemiddeld blijven zo’n 300 tot 400 klapeksters bij ons in de periode november tot en met maart.  Er zijn goede ( 400-600) en slechte ( 150-300) klapeksterjaren. Dit heeft waarschijnlijk  te maken met broedresultaten in het noorden. Klapeksters hebben voorkeur voor natuurlijke landschappen als heidevelden, hoogvenen, moerasgebieden, kapvlaktes, zandverstuivingen, duinen en kleinschalig cultuurland.

Klapekster in winterzonnetje

Winterterritorium

De klapekster heeft een eigen territorium.  Je ziet de vogels dus vaak in zijn eentje. Soortgenoten jaagt ie weg. Die moeten maar een ander gebied zoeken. In de 1000 ha grote Engbertsdijksvenen ( hoogveengebied bij Kloosterhaar) komen meestal maximaal 5 klapeksters voor.(Twentse Vogelwerkgroep) Onderzoek toonde aan, dat het territorium van een klapekster heel groot is. Het kan variëren van 50 tot 250 ha, soms zelfs nog groter. Binnen dit gebied heeft de klapekster dan een aantal kleinere kernen waar hij actief is en op zoek gaat naar voedsel. Dat verklaart ook het onvoorspelbare gedrag van de vogel. Zie je bijvoorbeeld drie dagen achter elkaar een klapekster op hetzelfde heideterrein, kijk dan niet vreemd op dat hij daarna spoorloos verdwenen is. De klapekster op Takkenhoogte bijvoorbeeld zit een dag later misschien een week op het Nolderveld om daarna de heide van de Wildenberg te bezoeken. En wie weet waar hij allemaal nog zit. Dat wispelturige en geheimzinnige gedrag  maakt het moment dat je hem weer ziet altijd bijzonder !

Voedsel

Klapekster met prooi

De klapekster is een opportunist en eet prooidieren die het meest in zijn biotoop voorkomen. Op droge heiden en stuifzanden worden vaak mestkevers gevangen, in nattere gebieden zoals hoogvenen zijn dat vooral muizen. In het vroege voorjaar, de meeste klapeksters vertrekken pas in april, staan veel levendbarende hagedissen op het menu. In hoogvenen, zoals de Engbertsdijksvenen worden ook heikikkers gegeten.  Kleine zangvogels zoals mezen en vinken worden ook gegeten. Zoals eerder vermeld is een klapekster niet goed in staat om prooi in zijn poten mee te nemen. Dat moet ie met zijn snavel doen. Het haakje aan zijn snavel zal hem daarbij helpen. Meestal wordt een prooi snel op gegeten. Op koude winterdagen heeft de vogel veel energie nodig. Men heeft ontdekt dat in de namiddag, vlak voor de avond valt,  grotere prooien (muizen) worden gegeten. Zo’n lekker hapje kan dan ook uit de ‘voorraadkast’ komen. Net als neefje grauwe klauwier legt de klapekster vaak een voorraadje aan van prooien die hij op scherpe takken of doorns spietst.

Archemermaten: in de winter de klapekster ,in de zomer de grauwe klauwier

Om een idee te geven wat een klapekster zoal naar binnen werkt volgt hier een fragment uit het boekje ‘Het verlangen naar klapekster’ Koos van Zomeren. Het gaat over het gedrag van één klapekster in het Gooi waargenomen op 28 maart in 2012 : ….’de van der Poels ( onderzoekers) hebben van de ochtend tot de avond hun klapekster in de gaten gehouden, speciaal om wat hij teweeg bracht in de plaatselijke populatie levendbarende hagedissen. Hij bleek de dag te beginnen met het verorberen van twee gehangen hagedissen van de vorige dag. In vervolg daarop werden er die dag in totaal 18 gevangen, waarvan er 13 direct of na kortere tijd werden opgegeten. Vijf beesten bleven

Een klapekster pakt ook nogal eens een winterkoning

dus hangen voor later.’  In het tijdschrift Ravon plaatsten Paul en Loes van der Poel een artikel over het foerageergedrag van klapeksters. In de winter van 2009/2010 werden de gespietste of geklemde prooien van één klapekster geteld. De oogst was erg indrukwekkend: 35 insecten ( veel kevers), 26 zoogdieren ( muizensoorten), 40 vogels ( winterkoning, mees en roodborst), 38 reptielen ( levendbarende hagedissen). Doorgaans worden de prooien op een vaste plek verwerkt :  laten we het maar de slachtplaats van Lanius Excubitor noemen. We weten precies wat  klapeksters eten dankzij braakbalonderzoek. Braakballen worden gevonden onder slaapbomen.

Klapeksterbiotoop in Engbertsdijksvenen

Biotoop

Eerst maar even een paar voorbeelden landschappen waar je de klapekster niet gauw zult aantreffen : in bossen en het agrarische landschap. Een klapekster die in ons land de winter doorbrengt heeft namelijk  een paar noten op zijn zang. Het landschap moet open

klapeksters houden niet van heide die vergrast

zijn, liefst een beetje glooiend met hier en daar een boom of struik. ( als uitkijkpost en slaapboom) De vegetatie moet kort zijn met open plekken. Heide bijvoorbeeld moet niet te nat en zeker niet te hoog. Heide die sterk aan het vergassen is of bedekt met hoge en dichte planten van struikheide is bij klapeksters niet populair. Net als geplagde heide. Daar is ook niets eetbaars te vinden. Voor het vangen van kevers, muizen en hagedissen heb je open ruimtes nodig. Een onderzoek op de Veluwe kwam met een verrassende conclusie. Klapeksters houden ook van ruige akkers. Ze vangen er veel muizen.

Is er nog toekomst voor de klapekster in ons drukke landje ?

Ja, er zijn positieve ontwikkelingen. Ook negatieve trouwens. Eerst naar de goede kant van de zaak. Om het klapeksters naar de zin te maken is het herstellen van grotere heide- en hoogvenen nodig. Landschap Overijssel bijvoorbeeld is momenteel op de Lemelerberg en bij Beerze bezig  grote oppervlakten aan bos om te zetten naar heide. Dat betekent dat er

bos maakt plaats voor heide op de Lemelerberg

meer leefruimte voor de klapekster komt. Het zal nog wel wat jaren duren voordat deze gebieden zo verruigd en gevarieerd zijn dat er genoeg voedselaanbod is, maar het zijn stappen op de goede weg. Grote grazers op de heide, zoals koeien en schapen, zorgen voor meer mestkevers . Bovendien komt er meer variatie in het landschap en neemt de biodiversiteit (lees : meer voedselaanbod zoals muizen en kleine zangvogels ) toe. De aanleg van natuur- en wildakkers en bloemrijke akkerranden is ook gunstig. De akkers worden niet geoogst en trekken in de winter veel muizen en vogels aan. Kan gunstig

Grote grazers zorgen indirect voor meer mestkevers

uitpakken voor overwinterende klapeksters, zeker als deze akkers aan de randen van heidevelden liggen. Nadelig voor klapeksters is de toename van onrust in overwinteringsgebieden. In sommige terreinen is de recreatiedruk groot en wordt de klapekster gedwongen om zich te verplaatsen. Een mo0i voorbeeld was in de winter van 2020/2021 de coronadrukte. Op Takkenhoogte liet de klapekster zich niet zien. Over het algemeen laten klapeksters zich op afstand goed bekijken, maar vaak gaan ze toch op de vlucht. De achteruitgang van insecten kan ook negatief uitpakken. We weten dat de vogels veel kevers eten. Wat voor invloed dit heeft op het menu van de klapekster moeten we nog maar afwachten.

Struin met je verrekijker de vlakte af en let op de toppen van bomen en struiken

Hoe ontdek je een klapekster ?

Weet wel waar je aan begint als je op zoek gaat naar je eerste klapekster. De kans bestaat dat je bij het ontdekken van je eerste exemplaar voorgoed ‘verloren’ bent. Titels van verslagen en boeken als ‘In de ban van de klapekster’ of ‘Het verlangen naar klapekster’ zeggen genoeg. Er zijn vogelaars die niet meer normaal  een heide kunnen bezoeken. Ze móeten met de kijker de vlakte afturen op zoek naar de ene vogel in de top van een boom of struik.  Als je eenmaal door hebt hoe een typisch klapekstergebied er uit ziet, wordt de kans op een ontmoeting groter. In het Reestdal kun je een klapekster dus tegenkomen op de heide van Takkenhoogte, Meeuwenveen en De Wildenberg. Waarschijnlijk ook in de Vledders, maar daar mag je niet komen. Net als de Archemermaten langs de Regge bij de stuw van Archem. Ook niet toegankelijk, maar wel een mooi klapeksterbiotooop.  Gelukkig kun je vanaf de randen vaak de terreinen goed overzien. Ik heb klapeksters waargenomen in de Engbertsdijksvenen, op het Dwingelderveld en op Takkenhoogte. In de Junner Koelanden is de kans op een ontmoeting ook groot. Kijk op de website www.waarneming.nl Daar vind je actuele waarnemingen van klapeksters.

Neef grauwe klauwier broedt wel in ons land

Waarom broedt ie hier niet meer ?

Het antwoord op deze vraag is lastig te geven. De grauwe klauwier, qua gedrag en voedselkeuze lijkend op zijn neef klapekster, broedt wel in ons land. Sterker nog, het gaat steeds beter met deze vogel. Hij voelt zich thuis in typische klapeksterbiotopen, houdt ook van open terrein met veel variatie en struwelen. Eet ook insecten, muizen, reptielen, vogels, dus klapekster : wat let je ? In 1999 de laatste klapekster broedende klapekster in ons land , een come-back van deze prachtige vogel zou erg mooi zijn.

Gebruikte bronnen :

Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen – Klaas J.Eigenhuis

Vogels van Europa- Lars Jonsson

Het verlangen naar klapekster- Koos van Zomeren

Vogelatlas van Nederland -Sovon uitgave 2018

Kwartaalblad 67 Het Drentse Landschap

Eigen waarnemingen

Informatieve links :

- Over het onderzoek van Paul  van der Poel in de winter van 2010/2011

- Over Groningse klapeksters in 2016 

- Over de conditie,dieet en plaatstrouw van klapeksters op de Veluwe en de  Engbertsdijksvenen

- Over aantallen en verspreiding in Nederland

- Algemene informatie over de klapekster van Vogelbescherming 

- Mooi filmpje op  YouTube

- Youri in de ban van de klapekster op YouTube

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Posted in Fauna | Tagged , , , , , | Leave a comment

De tien mooiste bankjes in het Reestdal deel 2

Het Reestdal is een waar eldorado voor wandelaars. Een ommetje over de landgoederen  Dickninge of de Havixhorst bijvoorbeeld. Wat denk je van een langere tocht vanuit De Wheem in Oud-Avereest ? Je loopt hier zo Drenthe in en je kunt er uren dwalen. Zoek de stilte aan De Stapel  bij ‘t Ende op. Ook zo’n prachtige plek. Veel wandelaars dragen een rugzak met wat proviand en een flesje drinken. Die zijn vaak heel erg blij met een bankje op een prachtige plek. In dit artikel aandacht voor de tweede serie van vijf toplocaties.

De Zuidberg, kerkenpad Oud-Averee

De Zuidberg 

Lopend vanaf de Reestkerk naar  het Reest bruggetje kom je op een prachtige plek. Het kerkenpad ligt hier duidelijk wat hoger in het landschap. Je kijkt van dit  “Opa Berendbankje” zo het Reestdal in. In het voorjaar zijn de hooilanden hier geel van de dotterbloemen. De bank staat met de rug naar een eeuwenoude es. (akker) Deze bolvormige es wordt vaak ingezaaid met boekweit of verrijkt de biodiversiteit als natuurakker. Dit deel van het kerkenpad ligt nog in Overijssel.

Bankje Den Kaat (nog net Overijssel) met uitzicht op het Drentse Rabbinge

Den Kaat 

Langs de Reest lagen vroeger al verschillende nederzettingen. Vaak niet meer dan een verzameling van twee of drie boerderijen. Den Kaat is er een voorbeeld van. Achter Den Kaat loop je richting de Reest. Vlak voor de brug ( met sluisdeuren) staat dit ( nieuwe) bankje. De Reest meandert hier aan je voeten en je hebt een magnifiek uitzicht op de pitrushooilanden. Voor je ligt aan de Drentse kant een mooie esrand, de grens tussen het natte hooiland en de hoog gelegen akker.

Rabbingerveld

Rabbingerveld 

Dit speciale bankje staat er nog niet zo lang. Het is een soort dilemma-bank. Je moet namelijk een keuze maken. Of je gaat zitten met een mooi uitzicht op het westen en geniet  ‘s avond van een mooie avondlucht en een ondergaande zon boven de hei. Of je kiest voor een blik oostwaarts. Dan kijk je ‘s winters over een kletsnatte laagte en ‘ zomers over een droge bedding die rood uitslaat van duizenden zonnedauwplantjes. De bank staat langs het graspad, dat van Rabbinge naar de Nieuwe Dijk loopt. Geschikt voor vier personen.

Drogteropslagen bovenloop Reest

Drochteropslagen 

Heel geschikt gebiedje om even tot rust te komen. Vanaf het dorpshuis in Drogteropslagen loop je hier naar de bovenloop van de Reest. Dit “Rondje Reest ” loopt door een gebied waar Het Drentse Landschap een paar meanders en waterberging heeft gerealiseerd. Het reservaat wordt steeds meer begroeid, de natuurvriendelijke oevers worden steeds rijker aan allerlei planten. Veel vogelsoorten vinden er rust en voedsel. Er is een vogelkijkscherm neergezet en een paar bankjes. Dit is er één van.

Landgoed Dickninge

Landgoed Dickninge

Eén van de weinige plekken waar je langs de Reest kunt lopen. De tuin van Dickninge. In april is deze locatie erg populair. Oorzaak? De massale bloei van de holwortel. Deze stinzenplant staat dan bij duizenden in bloei, samen met bosanemoon en speenkruid. Heel vroeg in het voorjaar is de tuin wit van de sneeuwklokjes. Een prachtige plek voor een bank ! Je kijkt hier vanuit Drenthe op de hooilandjes in de provincie Overijssel.

 

 

 

 

Posted in De mooiste plekjes | Tagged | Leave a comment

De tien mooiste bankjes in het Reestdal deel 1

Laatst in de media: “Geluksvogel wint 220 miljoen euro”. Het winnen van een bak geld als toppunt van levensgeluk ? Het zal wel. Veel mensen zoeken hun geluk in kleine dingen. Voor een wandelaar of fietser kan dat een bankje zijn op een mooie plek. De thermosfles uit de rugzak, boterhammetje met kaas, of een lekker appel erbij en genieten maar. De meeste bankjes die in ons land zijn geplaatst, staan op namelijk een mooie ( zonnige) plek. In het Reestdal staan er behoorlijk veel, vaak op toplocaties. Van de tien mooiste bankjes ( het gaat natuurlijk niet om de bank, maar om de plek) de eerste vijf hotspots:

't Ende aan de Reest

‘t Ende aan de Stapelerweg 

Achter de prachtige monumentale boerderij ‘t Ende brengt een graspad je richting de Reest. Vlak voordat je de beek oversteekt en de provincie Overijssel binnenloopt staat deze bank. Je hebt hier een mooi uitzicht over de natte hooilanden aan weerszijden van de Reest. Een heerlijke plek, want je bent hier vaak alleen. Eén en al rust hier !

Vanaf Den Westerhuis kijk je richting het Drentse De Wildenberg

Den Westerhuis 

Van De Wheem op Oud-Avereest kun je een heel mooi rondje Wildenberg lopen. Vanaf de begraafplaats loopt een onverhard pad naar Den Westerhuis. Vanaf deze mooie eikenhouten bank heb je een geweldig panorama op Drenthe. In de verte ligt boerderij De Wildenberg, een graspad tussen de hooilanden brengt je er naar toe.

Steenen Pijp

De Steenen Pijp

Deze bank staat langs één van de oudste doorgangswegen door het Reestdal. Ooit was dit een groot veenmoeras. Over de dekzandruggen die boven het veen uitstaken liepen de verbindingswegen, zoals deze tussen Ommen en het noorden. De Reest was hier erg ondiep,  het grootste deel van het jaar kon je via deze doorwaadbare plek aan de overkant komen. Toen de Ommerschans in 1628 werd aangelegd kwam hier een houten brug. Op de plek van het bosje links stond in de 17e eeuw een korenmolen. Mooie kijk hier op de meanderende Reest die hier westwaarts stroomt.

Katingermeertje

 Het Katingermeertje 

Als je van Balkbrug via het Katingerveld ( Landgoed Kategerbos) richting Rabbinge loopt en je doet bijvoorbeeld via het knooppuntennetwerk of De Loop van de Reest, passeer je het verscholen Katingermeertje. Een prachtig vennetje en een hele mooie plek om even wat te mijmeren over de zin van het leven. Je moet je dan wel heel goed concentreren, want op de achtergrond raast het verkeer over de N48. Dit is typisch zo’n Nederlands plaatje dat niet de hele waarheid vertelt. Prachtige plek, maar foto’s geven geen geluid….

Spookmeer

 Het Spookmeer (tje) 

Superplek. ‘s Zomers laten de duikende dodaarzen zich bewonderen en kun je in mei genieten van een kikkerconcert. Er staan nog een paar bankjes langs het vennetje, maar deze is erg geschikt voor het fotograferen van vogels. Je zit hier namelijk half verborgen achter een boompje. Gewoon over de plas kijken kan natuurlijk ook. Als het wat mistig of nevelig is begin je de naam van dit veengat te snappen. Spoken zijn de laatste tijd niet meer gezien.

 

 

Posted in De mooiste plekjes | Tagged | Leave a comment

Raven op het Rabbingerveld

Vliegbeeld raaf

“Karrrr-Karrrr-Karrrrrrrr………….” Twee grote zwarte vogels vliegen over de vlakte van het Rabbingerveld. Een eind verderop duiken ze naar beneden en scharrelen wat rond. Je hoeft geen geoefende vogelaar te zijn om dat diepe donkere raspende geluid te herkennen. Zwarte kraaien en roeken “zingen” heel anders en het geluid van kauwtjes is veel hoger. Slechthorende ,vaak wat oudere vogelaars ( die zijn er meer dan je denkt) zijn niet bij voorbaat kansloos. Herkennen  van een raaf kun je naast geluid ook op de grootte. Het zijn joekels van vogels, met een grote zwarte snavel, gevingerde vleugels en een waaiervormige staart. Erg schuw ook, laten roeken, kraaien en kauwtjes zich vaak van dichtbij bekijken, de raaf zul je vaak van afstand moeten zien. In de verrekijker of telescoop. Ze moeten niet veel van mensen hebben. Gelijk hebben ze.

Relatie tussen raven en wolven

Dode ree op de heide van het Rabbingerveld

Op 28 oktober 2021 verscheen in Dagblad Trouw een artikel over de relatie tussen raven en wolven. In het voorjaar werden zes jonge raven op de Veluwe gezenderd. Ze kregen een soort rugzakje met GPS . Het doel van dit experiment is om er achter te komen waar de vogels zoal verblijven, maar er was nog iets. Vanuit het buitenland was al bekend dat raven en wolven een soort voedselrelatie hebben. Niet één van eten en gegeten worden, maar een relatie met wederzijds voordeel. Als wolven een prooi hebben, zijn er heel snel raven bij.  Wolven laten raven ook mee-eten als het karkas open ligt. Dat open scheuren van een dood dier kunnen raven niet. Dat is het voordeel aan de kant van de raaf. Maar wat heeft de wolf hieraan? Wolven pakken levende prooien, maar zijn ook aaseters. Van raven is bekend, dat ze vanuit de lucht heel goed op de hoogte zijn van alles wat dood of verzwakt is. Wetenschappers hebben ontdekt dat raven middels geluiden en de stand van hun vleugels hier van aanwijzingen geven aan wolven. Daar is dus het voordeel voor de wolf.

Ook op Takkenhoogte voelt een ravenpaartje zich thuis

Vlees verstoppen 

Over een relatie tussen de Veluwse raven en wolven is nog niet veel bekend. Het onderzoek zal nog wel een tijdje duren. Wat de wetenschappers wel konden aantonen, is een vorm van hamsteren bij raven. Wat namelijk opviel, was dat dagen nadat een dier was gedood,

artikel Trouw

raven er nog dagenlang rond bleven hangen. In de buurt van aas werden vaak  verstopte stukken vlees gevonden. Begraven onder mos bijvoorbeeld. Dat moet het werk van raven zijn. Interessant is dan weer welke invloed dat dode vlees heeft op de populaties aaskevers vliegen, muizen, maar op vogels als de rode wouw en de zeearend.

Herintroductie bracht de raaf weer terug

De raaf was sinds de jaren ’30 van de vorige eeuw uit ons land verdwenen. Oorzaak? Vervolging. In vrijwel heel Europa had de raaf een slechte naam en werd de vogel gezien als schadelijk wild. Wel werden raven als kooivogels gehouden. In 1936 werd een (mislukte) poging gedaan om de raaf als broedvogel in ons land terug te brengen door negen jonge vogels uit Litouwen te importeren. Na een jaar werd niets meer van de vogels

Vooral de wigvormige staart is duidelijk zichtbaar

vernomen. In 1947 kreeg de raaf in ons inmiddels weer ravenloze land wettelijke bescherming. Het duurde tot de jaren ’60 voordat weer opnieuw raven (nu uit Sleeswijk Holstein) werden geïntroduceerd. Het project werd heel serieus aangepakt. Zo kregen de medewerkers het advies om de jonge raven  in grote kooien te laten wennen om vervolgens te wachten tot er “kweekparen” werden gevormd. In stapjes werden de vogels  klaargestoomd voor de echte wereld. In totaal kregen in dit project 160 raven op die manier de vrijheid. Pas in 1976 gingen drie paren in het wild over tot broeden. Raven kwamen eerst vooral op de Veluwe voor, later ook op de Sallandse Heuvelrug en in Drenthe. Nu wordt het aantal broedparen geschat op rond de 150.

Gewilde dieren 

Meer informatie over deze herintroductie van de raaf  vind je in het boek “Gewilde dieren”. Dit boek vertelt over de diersoorten in ons land die allemaal dank zij een herintroductieprogramma gered of weer teruggekomen zijn. Denk aan de bever, het korhoen, de das, de beenprik, de otter, de steur en nog veel meer.

 

Posted in Fauna | Tagged , , , | Leave a comment

Euro Birdwatch 2021 : Telpost op Takkenhoogte

Euro Birdwatch 2021 op Takkenhoogte

Het is zaterdag 2 oktober 2021. Toch wel fijn als de weersverwachting een keer niet helemaal uitkomt. Het zou vrijwel de hele dag bewolkt zijn, met in de morgen kans op een klein beetje zon. Die voorspelling is voor een vogelteldag niet geweldig. Daar moet je een heldere lucht voor hebben.  Rond 08.00 is het grijs en bewolkt, met zo nu en dan een spatje regen. Koud is het niet. We settelen ons met z’n vijven in de struweelrand tussen de Meeuwenplas en Takkenhoogte.  Vanuit deze open plek heb je een geweldig zicht op de oostelijke en westelijke hemel.  En met de (eventuele) zon in de rug is het goed vogels kijken. Na een poosje breekt de bewolking en verschijnen de eerste opklaringen !  Het feest kan beginnen. We doen mee met de Euro Birdwatch 2021.

Waarom deze dag ?

Euro Birdwatch vestigt de aandacht op trekvogels en de gebieden die ze in Europa nodig hebben om bij te tanken voor hun reis. En het evenement maakt zichtbaar hoe groots het fenomeen vogeltrek is. Hierdoor draagt zo’n vogelteldag er hopelijk aan bij dat meer mensen enthousiast worden voor vogels en hun bescherming. In verschillende van de deelnemende landen is dat laatste namelijk hard nodig. In Nederland is de Euro Birdwatch daarnaast ook een uitstekende gelegenheid om het belang van ons land voor trekvogels nog eens voor het voetlicht te brengen. En natuurlijk ook om gewoon van vogels te genieten.

Spektakel in de lucht 

De vijf leden van de vogelsectie van de natuurwerkgroep de Reest zijn er helemaal klaar voor. Ik ben er één van. Laat de vogels maar komen! Rob heeft zijn telescoopkijker klaar staan en gewapend met een “simpele”  kijker struinen Bert, Johan, Judith en Jan het luchtruim af. Judith noteert. Veel spreeuwengroepjes vliegen over, net als boerenzwaluwen graspiepers, staartmezen en grote lijsters. Grauwe ganzen natuurlijk ook,

Buizerd

die voelen zich in de vennetjes op Takkenhoogte thuis. Al gauw laat de eerste buizerd zich zien. Door de telescoopkijker laat ie zich lang bewonderen. Het zal niet de enige buizerd zijn die morgen, aan het eind van de sessie hebben we er maar liefst 13 langs zien komen. Het is sowieso een goede roofvogeldag. Door de zon ,die zich steeds vaker laat zien , warmt de lucht wat op en dat maakt roofvogels actiever, die houden van thermiek! We zien ook torenvalk, sperwer en havik  Het absolute hoogtepunt is de rode wouw die de heide van Takkenhoogte en De Wildenberg aftuurt naar prooi. Watersnippen, ook altijd mooi! De morgen wordt afgesloten met een waar luchtspektakel. Honderden toendrarietganzen komen vanuit het noorden aanvliegen. We hebben ze mooi in beeld en kunnen ze goed tellen. Wat zijn ze mooi !

Het open landschap op Takkenhoogte

Gegevens naar trektellen.

Op deze Euro Birdwatch  2021 werd op 160 telposten naar de lucht gekeken.  Het gaat daarbij om miljoenen vogels, een spectaculair fenomeen. In Nederland coördineert Vogelbescherming deze Euro Birdwatch voor de 26e keer, samen met de  website www.trektellen.nl.

De waarnemingen van die morgen:

  Vogelsoort Aantal
1 Kolgans 31
2 Toendrarietgans 784
3 Grauwe Gans 154
4 Casarca 5
5 Nijlgans 2
6 Wilde Eend 2
7 Aalscholver 7
8 Rode Wouw 1
9 Buizerd 13
10 Sperwer 2
11 Havik 1
12 Torenvalk 2
13 Kievit 31
14 Watersnip 8
15 Holenduif 1
16 Houtduif 9
17 Grote Bonte Specht 1
18 Veldleeuwerik 6
19 Boerenzwaluw 105
20 Graspieper 148
21 Witte Kwikstaart 11
22 Roodborst 1
23 Grote Lijster 12
24 Merel 1
25 Winterkoning 1
26 Koolmees 1
27 Pimpelmees 5
28 Staartmees 14
29 Gaai 11
30 Spreeuw 231
31 Vink 14
32 Keep 2
33 Groenling 5
34 Sijs 5
35 Geelgors 9
  Totaal 1636
Posted in Algemeen, Fauna | Leave a comment

Over akkerkruiden deel 1 : hoe ze verdwenen uit het landschap

Bloemrijke akkerrand met gele ganzenbloem

Een wandeling door het Reestdal is een tocht door het verrassend boerenlandschap van 100 jaar terug. Behalve een slingerend beekje kom je langs oude boerderijen, hooilandjes, hakhoutbosjes, houtwallen, heidevelden en graanakkers. In de zomermaanden zijn de essen ( ander woord voor akkers) een lust voor het oog. Tussen de granen (vaak winterrogge) domineert het blauw van de korenbloemen. Ganzenbloemen kleuren akkerranden geel. Akkerkruiden hebben het moeilijk in ons land. Er is wel reden voor enig optimisme De aandacht voor akkerflora neemt namelijk toe. Bij het herstel van biodiversiteit kunnen ze een belangrijke rol gaan spelen.

In een aantal artikelen wil ik aandacht besteden aan de wereld van de bloeiende akker. Als bronnen maak ik gebruik van Het Akkerboek (KNNV), eigen waarnemingen en een aantal artikelen uit  de media. 

Uitgave KNNV

Is dit boek de Bijbel voor het beheer van kruidenrijke akkers?

Voorjaar 2021 verscheen Het Akkerboek, uitgave KNNV. Op dit boek zaten veel natuurbeheerders, agrariërs, plantenkenners en natuurliefhebbers al een poos te wachten. Het verscheen na tien jaar degelijk onderzoek naar het herstel van wilde planten en dieren in akkers. De schrijvers van Het Akkerboek hebben hun ervaringen en kennis gebundeld en geven praktische adviezen over de manier waarop je als boer, particulier of natuurbeheerder aan de slag kunt om (bijna) verdwenen akkerkruiden weer terug te krijgen in het landschap. Dit is misschien wel HET boek over alles wat met akkerbeheer te maken heeft. Een soort Akkerbijbel dus.

Schatkamers van biodiversiteit

Graanakker in Groningen

Ooit waren akkers schatkamers van biodiversiteit. Die tijd komt niet weer terug. De Nederlandse boer is producent voor de wereldmarkt en moet in zijn bestaan hard werken voor ( veel te) lage prijzen. Dat zal helaas niet snel veranderen. Alles draait om efficiency en massaproductie. De boeren worden in dit systeem uitgekleed.

In de bedrijfsvoering passen geen akkers met bloeiende korenbloemen, roepende patrijzen of randen en ruige oeverhoekjes met allerlei kruiden. De akkers zijn soortenarm. Toch zie je in het agrarisch landschap iets veranderen. Het

akkerrand met duizendblad op de Noorderesch bij Buinen Drenthe

aantal bloemrijke akkerranden bijvoorbeeld neemt toe. In de afgelopen jaren is de belangstelling voor akkerkruiden toegenomen. Niet alleen bij “natuurmensen”. Steeds meer agrariërs lijken te kiezen voor een bedrijfsvoering waarin landbouw en natuur meer samengaan. Daar liggen mooie kansen voor een voorzichtig herstel van onze akkerflora.

Extensief beheer

De meeste graanakkers (essen) in het Reestdal worden extensief beheerd door de provinciale landschappen Landschap Overijssel en Het Drentse Landschap. Ze lijken vaak op de akkers, zoals je die op oude schoolplaten ziet: rogge of gerst met daartussen het blauw van de korenbloemen, het rood van de klaprozen en het geel/wit van de kamille. Natuurbeschermingsorganisaties kunnen het zich permitteren om deze vorm van akkerbeheer te voeren. Hier staat biodiversiteit op de eerste plaats en niet de opbrengst. Een luxe situatie.

Akkerkruiden in de winterrogge

Hoe konden zoveel soorten akkerkruiden verdwijnen ?

Tijdens biologielessen wordt leerlingen uitgelegd wat een monocultuur is. Als voorbeeld wordt vaak een akker genoemd: een bepaald gebied waarop één plantensoort wordt

Ook een dennenbos is een monocultuur. De natuurwaarden zijn relatief laag.

verbouwd. Een maisakker of een weiland met alleen maar raaigras, maar ook een aangeplant dennenbos zijn voorbeelden uit de praktijk. De gemiddelde Nederlandse akker is erg arm aan soorten. Dat was jaren geleden heel anders en je kunt je dus afvragen hoe dat zo gekomen is. De belangrijkste oorzaken zijn:

 

-        Vroeger boden de graanakkers veel meer ruimte voor allerlei akkerkruiden dan nu. De rogge bijvoorbeeld stond lang niet zo dicht op elkaar. Voor korenbloemen, klaproos, lathyrus, akkerleeuwenbek en andere soorten waren de omstandigheden vaak gunstig om

Gebruik van gewasbescherming

tot bloei en zaadvorming te komen. Dat gewassen steeds dichter en gesloten werden, kwam door het gebruik van kunstmest. Bovendien werden onkruiden chemisch bestreden. Bijna alle akkers in ons land worden al jaren zo beheerd. Het zijn monoculturen. Andere planten worden niet geduld.

-       De teelt van gewassen veranderde in de loop van de tijd. Granen maakten plaats voor gewassen als mais, suikerbieten, of bloembollen.

Boekweit wordt niet veel meer verbouwd

-       Akkers met gewassen met ruimte voor akkerkruiden kwamen steeds minder voor of verdwenen uit het landschap. Hierbij moet gedacht worden aan de teelt van bijvoorbeeld boekweit, vlas en hennep. De laatste jaren wordt het areaal van deze gewassen wel iets groter.

-       Het zaad van granen wordt streng gecontroleerd en is vaak geschoond van allerlei  ongerechtigheden, dus ook van andere plantenzaden.

-       Tijdens de vele ruilverkavelingen in ons land zijn veel akkerranden, ruige overhoekjes, kleine akkers en bermen verloren gegaan.

-       Er wordt veel dieper geploegd dan vroeger.

Bij het zaaien van winterrogge worden de stoppels onder gewerkt.

-       Op graanakkers zie je vaak dat de graanstoppels van de oogst in augustus onder worden geploegd als de akker in oktober weer wordt ingezaaid met wintergraan. Voor veel akkerplanten is de aanwezigheid van stoppels tot in het voorjaar juist gunstig. Die situatie doet zich voor bij zomergranen, die worden namelijk pas in het voorjaar gezaaid. Het inzaaien van verplichte groenbemesters ( mosterd, winterrogge, gras) in het najaar maakt de groei van akkerkruiden vrijwel onmogelijk.

Locatie project Den Westerhuis

Project op Den Westerhuis

Het Akkerboek noemt nog meer oorzaken van het verdwijnen van onze akkerflora, maar vermeldt ook dat er veel mogelijk is om weer te zorgen voor herstel. Het tweede artikel gaat dan ook over een mooi project in het Reestdal. Op deze locatie, gelegen tussen de begraafplaats van Oud-Avereest en Den Westerhuis worden elk jaar zes soorten granen in stroken gezaaid, liggen bloemrijke akkerranden en staan de essen met rogge vol van akkerkruiden als klaproos, akkerviooltje, korenbloem, kamille, wikke en nog veel meer.

Posted in Akkerbouw, Landbouwgewassen in het Reestdal | Tagged , , , | Leave a comment