Stinzenflora

Landgoed Dickninge heeft in onze regio, maar ook ver daar buiten, naamsbekendheid als het gaat om de bijzondere flora in april. Als de bomen nog kaal zijn is het voorjaar in de tuin al lang begonnen. In  februari en maart komen de sneeuwklokjes massaal boven de grond  en in eind maart  is de bodem van het bos bedekt met de kleurrijke tapijten van holwortels en ander vroege bloeiers.

En eigenlijk moet het voorjaar dan nog beginnen. Opvallend is de plek waar deze planten hun snelle explosieve groei laten zien; waarom alleen daar en niet ergens anders, waarom wel in de tuin van Dickninge en niet daarbuiten ? Het antwoord is niet zo moeilijk te geven. We hebben het hier over een bijzonder groep binnen de Nederlandse flora : de stinzenplanten
Het woord stins is een Fries woord. Het betekent versterkt en stenen huis.  In Friesland is men ooit begonnen om de typische flora van de stinzentuinen te beschrijven. De rijke bewoners van veel stinzen waren waarschijnlijk niet echt tevreden over hun tuinen, want men liet uit Midden-en Zuid-Europa rijkbloeiende en sierlijke gewassen importeren om de tuinen en parken wat meer aanzien te geven.

 Ook bij kloosters werden deze tuinen met stinzenflora aangelegd, maar dat gebeurde vaak om een andere reden. Men had ontdekt, dat er ook planten tussen zaten met  geneeskrachtige eigenschappen. De holwortel op Dickninge heeft zeer waarschijnlijk alles te maken met  het dubbelklooster Dickninge , dat eeuwenlang op de plaats van het huidige landgoed heeft gelegen. Niet voor niets wordt de holwortel door veel mensen kloosterkruid genoemd.

Wat zijn stinzenplanten ?
In een oude uitgave van de KNNV getiteld “stinzenplanten in Nederland” staat de volgende omschrijving: “onder stinzenplanten verstaan wij een soort die in zijn verspreiding binnen een bepaald gebied vrijwel uitsluitend beperkt is tot stinzen, buitenplaatsen, oude boerenhoeven, pastorietuinen en aanverwante milieus, zoals kerkhoven en oude stadswallen.Het gaat in de regel om soorten met opvallende bloemen, die vroeger op buitenplaatsen e.d. zijn aangeplant en die vervolgens zijn verwilderd en ingeburgerd”.

Het milieu voor de stinzenplanten is geen natuurlijk milieu. Het is een omgeving die door toedoen van menselijk ingrijpen anders is dan de directe omgeving. Door vergraven, bemesten, aanvoer van aarde, door aanplant van bijvoorbeeld beuken, e.d. ontstond een geschikt biotoop voor een stinzenflora. Er zullen dan ook heel wat jaren verstreken zijn voordat de biotische en abiotische omstandigheden optimaal genoemd konden worden. Overigens profiteren ook andere planten van deze omstandigheden. In tuinen met stinzenflora komen ook veel soorten voor, die ook buiten het landgoed zijn te bewonderen. Fluitenkruid, speenkruid, look zonder look, dagkoekoeksbloem en zevenblad zijn daar voorbeelden van.

Waar komen ze vandaan ?
Over het algemeen zijn stinzenplanten niet inheems. Veel soorten komen oorspronkelijk uit zuidelijk en oostelijk Europa.. Omdat ze inmiddels zijn ingeburgerd worden ze nu gewoon bij de Nederlandse flora  gerekend. Ze zijn dan ook in iedere plantengids te vinden.

Een paar voorbeelden van stinzenplanten en hun herkomstgebied zijn:
Holwortel                                       - Centraal- en zuid-Europa
Sneeuwklokje                                 – Zuid-Europa
Maagdenpalm                                 – Zuid- en Midden-Europa
Breed Longkruid                             – Midden- en Noord-Europa
Crocus                                            – Alpen, Pyreneeën en Balkan

Wanneer bloeien ze?
Stinzenplanten zijn typische voorjaarsbloeiers. Ze bloeien in de vroege lente en als de zomer begint zijn ze bijna allemaal al weer verdwenen. Een kort en heftig bestaan dus. Alles moet gebeuren in een korte periode : groeien, bloeien, vruchten en zaden maken  en reservevoedsel maken voor het overleven onder de grond.

Hoe overleven ze?
In de zomer en winter zijn de bovengrondse delen van de meeste stinzenplanten niet te zien. Onder de grond bevinden zich de knollen (van bijvoorbeeld holwortel, crocus en voorjaarshelmbloem) , de bollen (van bijvoorbeeld vogelmelk, daslook en sneeuwklokje), of wortelstokken, zoals bij de gele anemoon. In het voorjaar is de groei van de planten, vooral bij warm voorjaarsweer, explosief. De meeste stinzenplanten horen thuis in de bossen, waar ’s zomers weinig licht is. Trouwens de meeste tuinen van landgoederen, buitenverblijven e.d. zijn in het vroege voorjaar rijker aan bloeiende planten dan in de zomer.

In welk milieu voelen de zich thuis?
Stinzenplanten komen in Nederland op verschillende grondsoorten voor, maar op de lichte zandgrond willen ze nauwelijks groeien. De bodem moet voedselrijk zijn, maar ook los en luchtig. Als een buitenverblijf op arme zandgrond lag moest er dus veel gebeuren om de bodem voor stinzenplanten geschikt te maken. De grond moest worden bemest.

Dat kon door de vijvers en grachten op te schonen en de humusrijke modder in de tuin te deponeren. En dan natuurlijk de bomen en de struiken. Die moesten al flink gegroeid zijn voordat het milieu voor stinzenplanten geschikt was. Een biotoop maken voor stinzenplanten was geen eenvoudige zaak, het was vaak een kwestie van lange adem en veel geld.

Dit bericht is geplaatst in Flora, Natuur en getagd , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>