“In het Reestdal bestaan grote verschillen tussen boerderijen”

Albert Dragt uit Meppel vertelt:

In de afgelopen jaren is er veel studie gedaan naar natuurwaarden van het Reestdal, maar er komt ook steeds meer aandacht voor de cultuurhistorische aspecten van het beekdal. Mens en natuur hebben samen vorm aan het Reestdal gegeven. Onmisbaar in het landschap zijn de boerenerven en de boerderijen. In dit interview vertelt Albert Dragt over de betekenis en geschiedenis van de boerderijen in het Reestdal.
Er staan prachtige monumentale boerderijen in het Reestdal.Is daar veel over bekend?
“In het Reestdal bestaan grote verschillen tussen boerderijen. Benedenstrooms zie je boerderijen met grote woonhuizen en hoe verder je stroomopwaarts komt , des te kleiner de boerderijen worden. Dat heeft te maken met de vruchtbaarheid van de grond. In de benedenloop is de grond veel vruchtbaarder dan in de bovenloop.

Daar ontstonden dan ook de grote landgoederen. Zo rond 1100 al was er in het benedenstroomse gebied al bewoning. Het gebied is er weidser, verderop is het Reestdal veel smaller. Dat komt door de zandruggen , die liggen vrij dicht aan de Reest, daar heb je een heel smal dal.”
 
 Liggen er bij De Wijk en IJhorst geen zandruggen?
“De essen  van Dunningen en van Dickninge waren zandruggen die vroeger al werden bebouwd. Op het lage land kon je niets verbouwen, want dat was te nat. Tot aan de rand van het dal stond vroeger alles onder water. Dat water stroomde naar Meppel, maar dat kon niet zo snel worden afgevoerd.

Het hoge water nam ook bezinksel mee, zodat de grond vruchtbaar werd. Er werd vaak twee keer geoogst. Op andere plekken was dat vaak niet mogelijk. De boerderijen hadden vaak veel vee. Tussen 1850 en 1920 zijn veel boerderijen verbouwd. Dat kun je vooral in De Wijk zien. Tot aan ’t Ende en de Bloemberg zie je dat bij veel boerderijen een voorhuis werd gebouwd.

Mooie voorbeelden zijn De Haalweide en ’t Ende. Een hele mooie boerderij is De Hof. De boeren wilden  laten zien dat ze het goed hadden. De tuin werd aangelegd,  je kon zien dat er een boer met aanzien woonde. Er stond ook vaak een bruine beuk in de tuin, dat was een teken van welstand. Toen Dickninge nog een klooster was, stond er een grote boerderij.

De woeste gronden daar in de buurt zijn allemaal ontgonnen door de monniken. Die hebben een groot aandeel gehad in de ontwikkeling van het Reestdal. En dan niet alleen op die plek, maar ook tot in de buurt van Avereest aan toe. De Havixhorst was vroeger ook een boerderij, een riddergoed, er stond een huis met een trapgevel, dat is niet het huis dat er nu staat.

Verder had je nog De Lokkerij, ook wel Klein Havixhorst genoemd , de Lindenhorst, de Braamskamp, de Schiphorst en nog veel andere grote boerderijen.”
 
 Waar leefden die boeren van ?
“Vooral van de veeteelt. De Wijk stond bekend om zijn stamboekvee. Dat vee was in heel Europa bekend. Meppel is rijk geworden door de handel in boter. Er werd trouwens ook vis gevangen in de Reest. Bekend zijn de zogenaamde “aalstallen” . Deze kwamen o.a. voor bij De Havixhorst en bij ’t Ende.

Daar werd met fuiken paling gevangen. ’t Ende is vaak verbouwd, eind 19de eeuw is dat voorhuis er neergezet. Die boerderij is vierhonderd jaar in dezelfde familie gebleven. Je kunt bij deze boerderij goed “de staart” zien. De oude boerderij bevindt zich tussen het voorhuis en de staart. De boerderij staat met het achtereinde naar de weg gericht. Vanuit het woonhuis hadden de bewoners dan uitzicht op de Herenweg richting IJhorst.

Men wilde op die manier laten zien “kijk, hier woon ik”. De es  van ’t Ende is veel hoger geweest. De es is voor het grootste deel afgegraven. Het zand is gebruikt voor de aanleg van het Wilhelminapark in Meppel. In 1792 was ’t Ende  al een boerderij met veel bezit: 30 stuks rundvee, 100 schapen, 90 varkens en 5 paarden. Dat was een grote boer voor die tijd. Vroeger bestond De Stapel maar uit vier boerderijen, t Ende was nummer vijf.
Bekend is ook de Dunninger-es, daar ligt een laag bouwgrond op van zestig tot tachtig centimeter, dat komt in het Reestdal nergens voor. Dat zegt genoeg over de ouderdom van zo’n es, want elk jaar werd de es door de mest uit de potstal iets hoger. De havezathe die daar gelegen heeft , daar is niets meer van over. Nu ligt op die plek een stuk bos, dat aan de Reest grenst. Niemand weet precies waar de havezathe heeft gelegen. Bij de Respers, in de buurt van de Haalweide, heeft vroeger ook een havezathe gelegen, maar ook die plek is niet bekend.”
 
 Hebben de boerderijen in het Reestdal ook bepaalde kenmerken ?
“Jazeker, het zijn vaak boerderijen van het zogenaamde hallentype. De gebinten werden gemaakt van eikenhout. Bij de boerderij stonden grote eiken in de eikengaarde en die leverden het hout. In de houtwallen stonden ook grote eiken die geschikt waren voor houtopbrengst.

Zo’n houtwal werd dan om de tien of twaalf jaar afgezet en van het hout werd dan gereedschap of palen gemaakt . En de grote eiken lieten ze dan lang staan voor het leveren van gebinten. Die eiken die ze nodig hadden waren wel meer dan honderd jaar oud. Met een dissel, een bijl die dwars op de steel stond, werden ze dan beweekt. De gebinten werden vaak op een kei gezet.

Bij de eerste boerderijen die men bouwde werden de gebinten in gegraven, maar die boerderijen zijn later allemaal ingestort. Later werden de gebinten op de veldkeien neergezet. Dan had je minder kans op het wegrotten van het hout. Bij ’t Ende kun je dit heel mooi zien. Een hallenboerderij bestond dus uit een geraamte van gebinten. De hoofdgebinten stonden niet aan de zijkant van de boerderij, die stonden meer naar binnen gericht.

Vroeger werden de muren gemetseld met twijgen en leem. Buiten de gebinten had je dan de stallen. De koeien stonden dan met de kop naar de deel. Aan de ene kant had je vaak de koestal en aan de andere kant de varkensstal, de paardenstal of de stal voor het jongvee. In het midden had je de deel. Deze ruimte was vaak verschillende ingericht.

Er waren boeren die op de deel het hooivak hadden, maar het hooi werd ook wel opgetast in de staart van de boerderij. In de staart had je ook vaak de potstal. De bodem van de deel bestond uit leem. In het voorjaar werd de deel opgeknapt en weer mooi vlak gemaakt. Aan de achterkant van de boerderij was een grote baander.

Een baander bestond vaak uit twee delen, een onder- en een bovenbaander. Het was een grote hoge deur waar paard en wagen geladen met hooi in kon rijden. Je hebt ook zijbaanders. Boven de koestal had je de hilde. Daar werd vaak het gereedschap opgeborgen. Daar zat het kippenhok op, maar ook het kamertje van de knecht.”
 
 
Bestaan al die kleine esgehuchten al lang?
“Ja, de boerderijen van Den Huizen worden bijvoorbeeld al in 1180 genoemd. Toen hebben er waarschijnlijk twee boerderijen gestaan. Vroeger liep er een weg achter langs de es. Dat pad liep helemaal rond tot aan wat nu de Meppelerweg is. Daar gingen de boeren langs naar het land. Die weg was mandelig, die werd door meerdere boeren gebruikt.

Rabbinge is ook een hele oude nederzetting, het is niet precies bekend hoe oud, waarschijnlijk van rond 1600. De boerderij waar nu de familie Rabbinge woont is van 1883. De Wildenberg is weer een aparte plek, die hoort niet bij Rabbinge. Er staat maar één boerderij, die waar nu de familie Blanksma woont. In de 17de eeuw al woonde daar de familie Takken.

Zo rond 1900 heeft de familie Zanting zich daar gevestigd. Men beweert dat het vee van de familie Takken een keer bezweken is aan een longziekte of aan miltvuur. Dat was erg besmettelijk. Op de plek waar het vee dan werd begraven mocht niets worden verbouwd. Er mocht wel bos aangeplant worden. Dat bosje is nog te vinden in het gebied Takkenhoogte.

Bij de Wildenberg spreken we van zwermhoevelandschap. Dat is bij Rabbinge ook het geval. Kampenlandschap wordt het ook wel genoemd. Den Huizen en Oud-Avereest zijn echte mooie oude esgehuchten, net als de Bloemberg en de Pieperij.. Men denkt dat Rabbinge een verbastering is van Rabberink een familienaam van Friese afkomst. Rabbinge ligt rondom een zijdalletje van de Reest, de zogenaamde Zwarten Kaat.

In dat natte gebied komt nu de boomkikker voor. Dat moeras is daar veel groter geweest. Mijn grootvader heeft dat allemaal nog ontgonnen. Als je via de es naar de Holtberg loopt, dan heb je daar een steilrand. Vroeger liep dat allemaal tot aan het moeras toe door, maar daar is heel veel afgegraven. Op Rabbinge heb je erg mooie en oude essen.

Mijn grootvader verbouwde er haver, rogge en aardappelen. Daarna werd het allemaal gras en nu staat er gerst en rogge op.  Rabbinge had weinig madelanden, natte landen langs de Reest.
Vanaf de Holtberg heb je een mooi uitzicht op Balkbrug en voorbij de Holtberg heb je een mooi zich op Den Kaat. Nu heeft het Drents Landschap in dit gebied een aantal poelen gegraven om het leefgebied van de boomkikkers te verbeteren. De bosjes die je hier aantreft zijn in de 19de eeuw aangeplant door Drentse boscommissies die bossen aanplantten op ongeschikte landbouwgronden.”

Dit bericht is geplaatst in Interviews en getagd , , , , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>