” De boeren hebben het Reestdal ingericht”

Albert Dragt uit Meppel vertelt:

Vroeger werd door baron van Dedem de Dedemsvaart gegraven en door de aanleg van de Sponturfwijk liep de boel toen ook onder water. Dat gaf toen al een hoop gezeur. In de jaren zestig zijn het waterschap het Riegmeer en de boeren bij elkaar gekomen en toen hebben ze besloten tot de aanleg van een reestvervangende leiding. Deze is toen rond 1969 gegraven. Toen die klaar was ging een hoop water niet meer door de Reest , maar via de sluis bij De Stapel richting de Hoogeveense Vaart .Van die tijd af is het Reestdal uitgedroogd.Voor veel dier-en plantensoorten was dit funest. De weidevogels zijn toen ook in aantal achteruitgegaan. Tussen Balkbrug, Den Kaat en Den Huizen zaten vroeger ontzettend veel weidevogels. Daar werden toen veel kievitseieren gezocht. Ook bij de Bloemberg en De Stapel zaten veel weidevogels. Nu zien je nog maar weinig kieviten meer. Een beek wordt gevoed door kwelstromen. Een beek heeft een groot inzijggebied. Kilometers verwijderd van de beek zakt het water de grond in en het kan wel honderden jaren duren voordat dat water bij de beek terecht gekomen is. Het komt dan als kwelwater naar boven.

Op die lange weg heeft het water dan veel mineralen meegenomen.In het Reestdal neemt kwelwater heel veel ijzer mee. De Reest is een traagstromende ijzerhoudende laaglandbeek. Bij het kerkvonder kun je de ijzerbacteriën goed zien. Je ziet het blauwe/bruine water zo uit de wal stromen. De sloten die op de Reest afwater hebben dat water ook allemaal. Vroeger noemden de boeren dat rodolm. “Rodolm moet je niet in de sloot hebben,” zeiden ze dan. Op sommige plekken zette het ijzer zich vast in de bodem. Daar gaan eeuwen overheen. Zo ontstonden oerbanken van wel twintig centimeter dik. Als je erop slaat kun je zien dat er ijzer in zit. Het kan zo dicht zijn dat het water er gewoon op blijft staan. Op De Wildenberg heb je ook zo’n plek, daar groeit bruine en witte snavelbies, moeraswolfsklauw en zonnedauw. Een hooggelegen vochtige plek met een oerbank of een leembank eronder.

Het Reestdal is een beekdal, dat nog niet erg is aangetast. Alleen is de Reest zonder kop en zonder staart. Het brongebied heeft nu geen bron meer. De Reest had vroeger aan het begin een grote spons, die zo nu en dan werd uitgeknepen en via via moest dat water dan richting Meppel. Aan de zuidkant is er ook aan geprutst. Vroeger liep de Reest via de Oeverlanden naar Zwartsluis. Maar het Meppelerdiep werd gegraven en de bochten werden uit de Reest gehaald. Eigenlijk liep het Reestdal tot aan Zwartsluis. Maar die staart is er dus ook af. De Reest begint nu bij het Bergje. Eerder kwam de Reest bij de Tippe, bij Lutten weg. Ik weet niet of het water bij De Tippe nog een stukje bovenloop van de Reest is, vroeger liep daar de Lutterbeeke en vanaf Slagharen kwam er ook nog een veenbeekje weg. Daar lagen ook grote vennen, meerstallen werden ze genoemd. Bij Dedemsvaart, Lutten en Hardenberg had je ze ook. Er liepen ook veenstroompjes, die op bepaalde plekken bij elkaar kwamen. Het water stroomde dan via de Lutterbeeke richting het Bergje en daar werd het de Reest.

Sinds de Middeleeuwen is er aan het Reestdal weinig veranderd. Hier en daar is wel wat bijgebouwd, maar men heeft toch wel al gauw ingezien dat het een bijzonder gebied is. Oud-Avereest en Den Huizen bijvoorbeeld zijn beschermde dorpsgezichten en daar mag ook nooit bijgebouwd worden. Als er een paar boerderijen bij elkaar staan noemen we dat een esgehucht, maar De Wildenberg bestaat maar uit één boerderij. Dat noemen we dan een zwermhoevelandschap. Rabbinge is een streekesgehucht. Het gehucht Rabbinge bestaat uit vijf boerderijen in een lange strook. Oud-Avereest is een esgehucht met een kerk. De kerk stond in het midden en vanaf alle kanten liepen de kerkenpaden naar Oud-Avereest. Dat maakt dit landschap ook uniek. De spin met daarom toe een web van paden, zeg ik wel eens.

Bij de kerk van IJhorst zie je dat ook. Op Oud-Avereest hebben drie kerkjes gestaan. Het kerkhof ligt op een hele mooie zandopduiking. Het eerste kerkje was een houten kerkje met een strooien dak en keitjes op de vloer. Later is er een stenen kerk gebouwd met een klokkenstoel er naast. Die twee klokken zijn toen in 1853 overgebracht naar de toren van de kerk die er nu staat. In de oorlog zijn de klokken er door de Duitsers uitgehaald, maar één is er teruggekomen. De ander ligt misschien als patroon of huls op de steppen van Rusland. Klokkenstoelen waren er niet veel in deze omgeving. IJhorst heeft er nog één. Het unieke van het Reestdal zijn die mooie dekzandruggen met daartussen het dal. Op sommige plekken is het dal heel smal. Bij De Wijk wordt het landschap weer veel wijdser. Bij Oud-Avereest kun je heel mooi zien dat de Reest door een dal stroomt.
Boeren in een kleinschalig landschap
In het Reestdal vind je nu nog hele kleine esjes. Essen zijn ontstaan door het potstalsysteem. De potstal is een verdiepte stal. Mijn grootvader had er één op Rabbinge, dus ik heb er in gewerkt. Er werd een laag heideplaggen ingelegd. Daar kwam dan stro op. Eerder was stro te duur, toen waren het alleen maar plaggen. Als de sloten werden uitgebaggerd, kwam er ook een laag plantenresten in de potstal. In de potstal stond vaak het jongvee of schapen.
 

De paardenmest en de varkensmest kwam er ook bij op en dan weer een laag ruigte en zo stapelde zich dat op . De varkenshokken lagen vaak tegen de potstal aan en de mest werd dan zo over het muurtje in de potstal gegooid. Mijn grootvader gebruikte geen heideplaggen meer, maar stro. Elke jaar werd de potstal geleegd. De mest werd naar de es gereden en die werd dan weer een beetje opgehoogd met organisch materiaal. Zo kwam een es in de loop van de tijd aan zijn bolle vorm. Op de es van Dickninge is dat heel mooi te zien. Op Rabbinge ook. Achter de Havixhorst zie je de vorm van de es ook goed.
Om de es van De Wildenberg liep vroeger tot aan de rand van het Reestdal een houtwal. Die houtwal moest dan het vee vanuit de graslanden tegenhouden. Die houtwal is nu weer opnieuw ingeplant, want hij was in de loop van de tijd verdwenen. De essen werden aangelegd op de dekzandruggen, dat moest ook wel, want ‘s winters stond het dal helemaal onder water. Wat boven het water bleef werden de boerderijen opgebouwd en de essen aangelegd. Door de potstalmethode kregen de boeren in de Middeleeuwen meer mest en konden ze langer op dezelfde plek blijven. Zo konden de boerennederzettingen ontstaan. In de pre-historie werd het Reestdal niet permanent bewoond, alleen door trekkende groepen. Op de essen werd gerst, rogge en haver verbouwd.
Later kwam daar de aardappel bij. De eerste korensoort heette emmergerst. Op stukjes verbrande heide werd ook wel boekweit verbouwd. In de as werd de boekweit dan gezaaid. Na de oorlog veranderden veel gemengde bedrijven in veebedrijven en verdwenen ook veel essen. Die werden gebruikt als grasland. Nu is bijvoorbeeld Het Drents Landschap weer bezig om die verdwenen essen te herstellen. In de oorlog moest veel grasland gescheurd worden en omgezet worden in bouwland. Dat was voor de voedselproductie. Na de oorlog gebeurde precies het tegenovergestelde.
 

Er waren ook gras- en hooilanden. Dat waren de zogenaamde madelanden, die lagen langs de beek. Hier was je als boer erg afhankelijk van het weer. Kreeg je veel nattigheid, dan was de oogst niet erg hoog. Je kon wel twee keer hooien. Het Reestdal was namelijk redelijk bemest.
In Schrapveen bijvoorbeeld liggen nog hele kleine dijkjes in het land. Als het water dan op het land kwam, nam het slib en ander organisch materiaal mee. Het water bleef dan een poosje staan, want door die dijkjes kon het niet weg. Later werden die dijkjes doorgestoken en liep het water weg en dan lag er een laag slijk en vergane plantenresten op de bodem. Zo was het Reestdal vruchtbaar terwijl het toch niet bemest werd. Daardoor kon je vaak twee keer oogsten. De eerste keer kon er pas laat gehooid worden, vaak was dat half juni. De tweede snee werd ook vaak geperst en door die persbulten kwam dan nog spurrie en knollen. Het vee liep niet op de lage graslanden, die graasden op hoger gelegen grasland. Het madeland was het hele lage hooiland, op de zandkoppen lagen de essen en de koeien stonden vaak op land er tussen in.

Ook de hakhoutbosjes waren belangrijk voor de boeren. Die werden ongeveer om de tien, twaalf jaar afgezet. De boeren hadden takkenbossen nodig. De bakker stookte de oven met takkenbossen. De bomen werden uitgesnoeid en de takken werden aan bossen gebonden. Naast de bakkerij hadden de bakkers grote mijten opgebouwd. Dat hout moest een tijd drogen, want dat wou niet direct branden. Het dikke hout werd door de boeren gebruikt voor palen.Boeren hadden toen veel palen nodig, want ze rotten gauw weg. Soms had je drie palen naast elkaar staan, dan werd een paal vervangen terwijl de vorige rotte palen er nog wat bij hingen. Op den duur werd van rotte palen weer brandhout gemaakt. Dat zie ik nog zo voor me.

De eikengaardes werden aangeplant naast de boerderij. Een eikengaarde is eigenlijk een soort eikenboomgaard. De eiken bleven heel lang staan. Ze waren voor de houtproductie. Eikenhout was duur. De boer had altijd op de hilde, dat was de zolder boven de koeien, een stapel eikenplanken klaar liggen voor de doodskist. In het kabinet hadden ze het doodskleed klaar liggen. Ze dachten aan het heden, de toekomst en het verleden. Er werd ook eikenhout verkocht of er werden gebinten van gemaakt. Een boerderij bestond uit gebinten, het zogenaamd hallehuistype werd uit gebinten opgebouwd en daarom heen werd de boerderij opgebouwd. Bij boerderij ‘t Ende kun je een mooie eikengaarde zien.

 Als je houtwallen niet afzet, dan worden het bomen en dan wordt zo’n wal helemaal kaal van onderen. De houtwal werd steeds uitgedund en niet in één keer helemaal gekapt. Een mooie eik lieten ze staan. Op Rabbinge stonden grote eikenbomen in de houtwal. Later konden ze dat hout weer goed gebruiken. Houtwallen waren er niet alleen voor geriefhout, maar ook voor veekering. Dan stonden er veel doornstruiken in. Op Den Huizen heb je bijvoorbeeld nog een hele mooie meidoornhaag. Meidoornbomen moet je regelmatig afzetten om ze mooi dicht te houden. Vroeger kon het vee er dan niet doorheen.

Sleedoorn, meidoorn en braamstruiken werden ingeplant. Het is jammer dat veel houtwallen in het Reestdal verdwenen zijn. Ze deden ook dienst als trekweg voor de dieren. Een dier gaat niet graag over de vlakte, langs de houtwallen kunnen ze zich dan veilig verplaatsen. Dassen, vleermuizen en vlinders maken er graag gebruik van. Veel vogels nestelen in houtwallen. Een houtwal was voor veel dieren een belangrijk biotoop. In de jaren vijftig en zestig verdwenen veel houtwallen.De boeren wilden een grootschalig landschap, veel machines konden op kleine stukjes land niet uit de voeten. Dus moest het land groter worden en werden veel houtwallen en houtsingels worden opgeruimd”

Dit bericht is geplaatst in Interviews en getagd , , , , , , , , , , , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>