Boerderijen van het Reestdal

  Het Reestdal is nog niet zo lang bewoond. Pas in de middeleeuwen gaan mensen zich vestigen in het gebied dat op veel plekken nat en ondoordringbaar is. Op de hoge dekzandruggen kun je wel gaan wonen. Daar komt het water niet. Zo ontstaan de eerste kleine gehuchten, vaak niet meer dan drie of vier boerderijen groot. Van de eerste boerderijen is niets meer over. Hier en daar zijn sporen in de bodem gevonden. Die laten zien hoe de eerste boerderijen werden gebouwd. Eerst leefden mens en dier onder één dak, maar vanaf de 16de eeuw gaat dat veranderen. Dan ontstaat het hallehuis, een bouwvorm die je in ons land op veel plaatsen tegenkomt.   

Hallehuis

Hallehuizen zijn boerderijen die opgebouwd zijn rond een serie achter elkaar geplaatste gebinten. Deze gebinten bestaan in het Reestdal vrijwel altijd uit eikenhout. Eikenbomen zijn in die tijd ruimschoots aanwezig. Ook voor kozijnen, vloeren en deuren wordt eikenhout gebruikt. Bij boerderijen worden ook eiken geplant om later hout te kunnen leveren. Deze “eikengaarden” zie je nog steeds bij grote boerderijen in het rijkere benedenstroomse deel van het Reestdal.  Boerderij ’t Ende heeft bijvoorbeeld een mooie eikengaard. Kenmerken voor een hallehuis is verder de driebeukige indeling, een middengedeelte met aan weerszijden twee zijbeuken. En natuurlijk de lage zijgevels, vaak niet hoger dan de deur.
 Staarten

 Natuurlijk veranderen boerderijen altijd van vorm en grootte. Dat heeft alles te maken met economische ontwikkelingen. Typerend voor de boerderijen van het Reestdal zijn de aangebouwd schuren aan de achterzijde. Ze worden er aangebouwd als de veeteelt zich gaat uitbreiden. Er is gewoon meer ruimte nodig. De schuren worden dan vaak verspringend aan de boerderij vastgemaakt, zodat de grote achterbaander nog kan worden gebruikt. Wordt een schuur nog verder uitgebreid, dan spreekt men van een “staart”.
 

Voor en achter

 Doordat het hallehuis in vakken is opgebouwd ( dat kan door het geraamte van gebinten) is het aanbrengen van een scheiding tussen wonen en werken logisch. Vaak wordt een stenen muur tussen deze twee gedeeltes opgetrokken. Voorhuizen krijgen pannen, het achterste deel van de boerderij wordt met riet afgedekt. Aan de voorzijde van de boerderij is de boerin de baas. Ze doet de boomgaard, de groentetuin, de siertuin en ze gebruikt het bleekveld. In het werkgedeelte maakt de boer de dienst uit.

De boerderijen hebben nog meer kenmerken die makkelijk te ontdekken zijn.

 Het uilenbord

 Aan de achterzijde van de boerderij komt op veel plaatsen een uilenbord voor. Het dak loop daar dan niet door tot aan de nok, maar sluit ongeveer anderhalve meter lager aan op de constructie van het zadeldak. Hierdoor ontstaat een stukje achtergevel in de vorm van een driehoek. Door het uilenbord kan de kerkuil het gebouw binnenkomen. Vroeger was de uil vaak welkom. Nu niet altijd meer. Het voordeel van een uil in je schuur is de aanwezigheid van een muizeneter. Maar graanopslag komt in de schuur niet meer voor. En echt nodig lijkt de vogel ook niet meer. Toch zijn er veel eigenaren van schuren en boerderijen die kerkuil graag te gast hebben. Vogelsecties van regionale natuurbeschermingsorganisaties hebben tientallen uilenkasten opgehangen. Zo is de kerkuil weer een normale verschijning in het Reestdal geworden. Jammer is dat er ook uilenborden worden dichtgemaakt. Begrijpelijk is dat wel, want een familie kerkuil geeft veel troep. Je moet wel een beetje tolerant zijn. 

       

Wanden van hout

 Houten gevels zijn vaak toegepast, Je ziet ze nog op veel plaatsen. Vooral bij achterhuizen, schuren en stallen worden ze aangetroffen. De ruwe planken worden “gepotdekseld” aangebracht en lopen meestal horizontaal. De planken bestaan meestal uit eikenhout. Dat is duurzaam en behoeft weinig onderhout. Bij andere houtsoorten wordt dan koolteer (mag nu niet meer) gebruikt om het hout te verduurzamen.

 

Baanderdeuren en mestdeuren

 Het achterhuis is toegankelijk door grote baanders (baanderdeuren). De deuren geven toegang tot de opslag- en werkruimte van de boerderij. Paard en wagen moeten er door kunnen. Karakteristiek zijn de achterhuizen met hun lage zijgevels en kleine mestdeuren of mestluiken. In de ruimte er tussen zijn vaak ijzeren stalraampjes aangebracht.

Deze gevels ontstonden vooral de 19de eeuw als de potstal langzamerhand plaats maakt voor de “Hollandse stal” . De koeien komen netjes in de rij te staan met een brede goot voor de mest tegen de zijgevel aan. Door de aanwezigheid van een aantal kleine mestdeuren kan de mest snel uit de gruppe worden verwijderd.

 Zonneschermen

Je ziet ze tegenwoordig steeds meer; leibomen. Maar in het Reestdal zijn ze altijd aan de zonzijde van het woonhuis een normaal verschijnsel geweest. Vaak worden lindes gebruikt. Deze leilindes zorgen in een warme zomer voor enige verkoeling in het woongedeelte.

 

Rode beuk

In het rijkere deel van het Reestdal wordt in de tuin voor de boerderij een rode beuk geplant. Deze boom is een symbool voor de welvaart in het gebied. Inmiddels zijn veel rode beuken (of paardekastanjes) uitgegroeid tot kolossale bomen. Ze geven de boerderij meer uitstraling. Vooral in de buurt van De Stapel en De Wijk zijn hier mooie voorbeelden van te zien.

 

Dit en nog veel meer is te lezen in:

Boerderijen rond de Reest, een uitgave van  o.a. Stichting Monumentenwacht Overijssel en Flevoland en Monumentenwacht Drenthe. Het boekje verscheen in mei 2005 in het kader van het project Over de Reest en is o.a. verkrijgbaar bij de regionale VVV’s en in De Wheem in Oud-Avereest.

 

Dit bericht is geplaatst in Boerderijen en getagd , , , , . Bookmark de permalink.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>