Feest voor insecten: de wilgen gaan bloeien

Als hongerige wolven zie je ze de bloeiende takken van de boswilg afstruinen. Het zijn vooral honingbijen en hommels die van bloem naar bloem dansen op zoek naar stuifmeel en nectar. Elzen en hazelaars bloeien in het vroege voorjaar ook, maar dat zijn windbestuivers. Insecten hebben er nauwelijks belangstelling voor. Nectar leveren deze bomen niet of nauwelijks.

Laurierwilg groeit o.a. op Landgoed de Havixhorst

Tien soorten

In Drenthe en Overijssel komen zo´n tien soorten wilgen voor. Boswilgen bloeien al heel vroeg in het voorjaar, laurierwilgen bijvoorbeeld pas in juni. Wilgen zijn tweehuizig.  Dit wil zeggen, dat je mannelijke en vrouwelijke wilgen hebt. De mannelijke wilgen met hun gele  meeldraadkatjes vallen vaak op afstand al op. De bloemen ( nou ja, bloemen) hebben honingkliertjes en maken veel stuifmeel.

 

Geen wilgen, geen bijen

De gele mannelijke katjes leveren veel stuifmeel en weinig nectar en de groene vrouwelijke katjes leveren veel nectar en geen stuifmeel. Stuifmeel is een bron van eiwit nodig voor de ontwikkeling van gezonde jonge bijen. De suikerhoudende nectar is een bron van energie voor de volwassen bijen. Sommige wilde bijen halen het voedsel voor hun larven zelfs uitsluitend van wilgen, zodat voor deze soorten geldt: geen wilgen, geen bijen. (bron:  artikel over relatie tussen wilgen en bijen van nmf Groningen )

Lees ook:

De grauwe wilg is een insectenbloeier 

De knotwilg als ecosysteem 

Knotbomen

 

 

 

Geplaatst in Flora | Getagd , | Een reactie plaatsen

Water : er valt veel te kiezen !

Juli 2018 -Drempel in de Reest staat bijna droog

De droge zomer van 2018 heeft ons wakker geschud. De aanwezigheid van water is geen zekerheid meer. Weken achtereen zonder een drup regen!  Dalende grondwaterstanden  met grote gevolgen voor landbouw en natuur . Droogvallende beken en rivieren. On-Nederlandse taferelen ! We zijn een half jaar verder. Ondanks de regen van de afgelopen dagen is de situatie op de (hogere) zandgronden nog lang niet hersteld. Voor het groeiseizoen begint moet daar nog veel meer regen vallen. In andere lager gelegen delen in ons land gaat het de goede kant op.

Afvoeren of vasthouden ?

Volle regenmeter

Met regenwater kun je twee dingen doen. Snel afvoeren ( daar zijn de Waterschappen nog steeds heel erg bedreven in, nergens lees je dat ze nu buffers aanleggen) of proberen om het vast te houden. Het veranderende klimaat wordt steeds extremer. Uitzonderlijk droogte, de warmste februarimaand, superstormen, extreme regenval in korte tijd. Het is allemaal mogelijk.

In de afgelopen jaren hebben de Waterschappen zich voorbereid op extreme neerslagperioden. Beekdalsystemen werden hersteld, rivieren kregen meer ruimte, waterbergingsgebieden aangelegd. Dit alles leverde veel op : meanderende beken en rivieren, herstel van kleinschalige landschappen, verbetering van de biodiversiteit en meer mogelijkheden voor recreatie. Na de zomer van 2018 is duidelijk, dat de Waterschappen niet alleen een antwoord moeten hebben op wateroverlast, maar ook op een watertekort. Een waterbergingsgebied gebruiken als buffer om in tijden van grote droogte water op te slaan, wie had dat ooit gedacht ? De vraag alleen is of dit ooit gebeurt.

De Regge kreeg haar meanders weer terug

Wat doen waterschappen ?

Waterschappen in Nederland zorgen voor de waterhuishouding. Ze zorgen voor het beheer van dijken en sluizen, de juiste waterstand en voor zuivering van afvalwater. Op de website waterschappen.nl vind je maar liefst negen taken waar het waterschap zich mee bezighoudt. Er zijn 21 waterschappen in Nederland. Dat waren er in het verleden veel meer. Elk waterschap heeft een gekozen algemeen bestuur en een dagelijks bestuur. Beide besturen worden voorgezeten door een dijkgraaf of watergraaf.

nat Reestdal op Landgoed de Havixhorst

Het leeft niet 

Vraag tien willekeurige Nederlanders om een paar taken van het waterschap op te noemen. Bij de meesten blijft het opvallend stil :  ´Waterschap ? Ik weet wel dat ik er voor moet betalen, maar wat ze nou precies doen. Tja…´ Waterschappen doen veel werk in de luwte. Vaak staan de auto´s van het waterschap (met duidelijk herkenbaar logo en wervende tekst !) op plekken waar weinig mensen komen. Onderhoud van stuwen en gemalen, waterzuivering e.d. het zijn niet acties  die de massa bezighouden. “Wat het waterschap precies doet is voor de meeste mensen zo vanzelfsprekend, dat ze het niet eens in de gaten hebben”, vertelt een dijkgraaf uit Zuid-Holland. “Pas als we natte voeten krijgen gaat het opvallen”. Waterschappen hebben zich bovendien jarenlang gedragen als kleine koninkrijkjes, geregeerd vanuit de boerenstand. En wat te denken van de baas van het bedrijf ? De dijkgraaf.  Een afstandelijke middeleeuwse titel, die niet bepaald het ´wij-gevoel´ oproept.

Uitgedroogde grond- dit willen we niet

 

Relatie is sterk verbeterd 

De relatie tussen het waterschap en haar ingezetenen, dat is een ouderwets woord voor de bewoners van het door het waterschap beheerde gebied, is de laatste jaren verbeterd.

aanleg drempel in de Reest

Sinds 2008 houden we om de vier jaar  waterschapsverkiezingen. Vanaf dat moment kregen burgers meer inspraak. En meer informatie. Folders, programma´s op radio en tv, artikelen in de krant. Naast de traditionele partijen als CDA en VVD, die vaak alleen maar oog hadden voor het belang van de boeren, bestond nu ook de mogelijkheid om een stem uit te brengen op burgers met meer oog voor natuur en landschap. Een voorbeeld hiervan is de partij Water Natuurlijk. Wat waterschappen steeds beter gaan doen is zich profileren via website en sociale media. Op elke website vind je bijvoorbeeld een overzicht van projecten in de regio. Er is ook veel meer aandacht voor de combinatie tussen water, natuur en landschap. Dat is een goede zaak.

werkgebied Vechtstromen

Twee waterschappen

Voor het Reestdal en omgeving spelen twee waterschappen een belangrijke rol. Dat zijn het waterschap Vechtstromen en het waterschap Drents Overijsselse Delta. De inwoners van de gemeente Hardenberg stemmen op kandidaten van deze twee waterschappen. De Reest valt onder het beheer van Drents Overijsselse Delta. Het werkgebied van deze organisatie is erg groot en ligt in de provincies Drenthe

werkgebied Drents Overijsselse Delta

en Overijssel. Ten zuiden van IJhorst gaat dit waterschap hier binnenkort beginnen met een groot natuurherstelproject in De Vledders.  Op de website vind je hier veel informatie over. Waterschap Vechtstromen beheert Zuidoost Drenthe en Noordoost Overijssel/Twente. Drie belangrijke rivieren/beken zijn hier de Vecht, de Regge en veel Twentse beken, zoals de Dinkel.

Weet je niet wat of wie je moet stemmen ? 

Beide waterschappen hebben op hun website een stemwijzer die je misschien helpt om je stem uit te brengen. Het allerbelangrijkste is natuurlijk dat je gaat stemmen.

Stemwijzer Drents Overijsselse Delta 

Stemhulp Vechtstromen

 

 

 

Geplaatst in Algemeen | Een reactie plaatsen

De witte sleedoorn kondigt de lente aan

Na de hazelaar gaan sleedoorn,els, wilg, es en populier bloeien. De sleedoorn spant hier de kroon, want die bloeit erg opvallend. Honderden kleine witte bloemen vind je aan deze struik ( of is het een boom? ).De sleedoorn bloeit voordat de bladeren verschijnen. Wandelen of fietsend door het kleinschalig landschap vallen de sleedoorns direct op.

Sleedoorn heeft puntige doorns

Haag

Net als de meidoorn werd deze struik vroeger geplant in hagen, die moesten dienen als veekering of om een eigen stukje grond af te palen. In boerenhagen werden ook soorten als hazelaar en hondsroos geplant. Zo’n gemengde haag werd dan ondoordringbaar. Daar zorgden de lastige doornachtige takken van meidoorn en sleedoorn wel voor. De komst van prikkeldraad maakte deze groene afrasteringen overbodig. Honderden kilometers aan sleedoorn- en meidoornhagen verdwenen. Zoals zoveel……

UiItbundige bloei van de sleedoorn

Opnieuw aangeplant

Voor vogels is een haag met een grote variatie aan struiken belangrijk.

sleedoorn bloesem in de knop

Er kan veilig in worden genesteld. In de nazomer barst het er van allerlei eetbare vruchten en zaden. Tegenwoordig planten organisaties als Landschap Overijssel en Het Drents Landschap houtsingels op plekken waar ze ooit hebben gestaan. Het plantgoed bestaat dan uit typische inheemse bomen en struiken als bijvoorbeeld  Gelderse roos, hondsroos, hazelaar, eik, meidoorn,sleedoorn en vogelkers.De sleedoorn bloeit in maart/april. De witte bloemen staan vaak in groepjes bij elkaar.Ze hebben vijf kroonbladen. De sleedoorn laat zich mooi fotograferen tegen een strak blauwe lucht. Het contrast tussen de witte bloemen en de blauwe lucht is dan een lust voor het oog. In het vroege voorjaar valt de sleedoorn gauw op. Er is geen inheemse boom, die op hetzelfde moment net zo mooi bloeit als de sleedoorn. De meidoorn bloeit later. Bloeiende krentenbomen zijn ook wit, maar het wit van de sleedoorn is intenser.

Eitje sleedoornpage foto: Vroege Vogels

Sleedoornpage

De sleedoornpage is in ons land een zeldzame vlinder, die een sleedoorn  zoekt om er eitjes op te leggen. De vlinder heeft het moeilijk omdat veel landschapselementen als houtwallen, houtsingels en heggen verdwenen zijn. De eitjes worden in de oksel van een tak gelegd. In april komen ze uit. De rupsen eten de blaadjes die dan uitkomen. Er zijn vlinderwerkgroepen die in de winter op zoek gaan naar eitjes in sleedoornstruweel. De vindplaatsen worden dan gemarkeerd. Bij het onderhoud van een houtwal weten de beheerders dan precies welke takken ze niet moeten snoeien. Het is een erg secuur werkje dat zoeken , want de eitje meten slechts 1 tot 2 millimeter !

sleedoorn in houtwal

 

 

 

Geplaatst in Flora | Getagd , | 1 reactie

Het oude cultuurlandschap kan niet zonder vrijwilligers

Maak in deze tijd van het jaar een tochtje door het Reestdal en je ziet het op veel plekken: stapels brandhout klaar om opgehaald te worden. De werkplek is vaak een klein bosje. Of een houtwal. Van die kleine solitaire hakhoutbosjes zijn er gelukkig nog genoeg. Vroeger hoorden ze bij de bedrijfsvoering van de boer. Uit de bosjes werd veel geriefhout gehaald. Hout dat gebruikt werd voor het maken van afrasteringpalen (rikkepalen) , voor gereedschap en bouwmateriaal, maar ook voor het stoken van de oven of de kachel.  Eikenhakhout leverde vroeger ook een grondstof voor het looien van leer. (run) De grootte van de bosjes varieert nogal, ze zijn soms erg klein met een oppervlakte van nog geen 200 m2, de meeste bosjes zijn niet groter dan 2500 m2.

Eigendom van provinciale landschappen

Kenmerkende boomsoorten op de zandgronden zijn eik ,els en berk. Tegenwoordig wordt het hout vooral gebruikt als brandhout. De stammetjes van eiken worden ook nog wel eens gebruikt om er rikkepalen van te maken.Veel geriefhoutbosjes in het Reestdal  zijn eigendom van Landschap Overijssel of Het Drentse Landschap, maar er zijn ook particulieren die kleine bosjes in bezit hebben. Voor advies over hakhoutbeheer kunnen zij gebruik maken van organisaties als Groene en Blauwe Diensten . Hout wordt “op stam” verkocht.

Vrijwilligerswerk 

Net als hakhoutbosjes moeten ook houtwallen en houtsingels om de zoveel tijd worden afgezet. De werkgroep landschapsbeheer van de natuurwerkgroep de Reest heeft op dit gebied inmiddels een schat aan ervaring opgebouwd. In overleg met beheerder Landschap Overijssel wordt iedere winter altijd wel ergens in het Reestdal een houtwal of houtsingel onder handen genomen. Er wordt altijd gewerkt met handgereedschap. Beugelzagen of trekzagen doen het werk. Net als hakhoutbosjes leverden houtwallen vroeger geriefhout voor de boer op. Het afzetten gebeurde om de tien tot vijftien jaar. In het moderne agrarische landschap zijn veel van dit soort landschapselementen opgeruimd. Ze pasten niet in de moderne agrarische bedrijfsvoering. Dit is een van de oorzaken van de enorme terugval in biodiversiteit in het grootschalige boerenland.

Vrijwilligers aan het werk in een houtwal

Hakhoutbosjes op wandelroute

Tijdens een wandelroute bij boerderij ’t Endeloop je aan de Overijsselse kant langs een

Stobben lopen weer uit

strook geriefhout. Aan de stobben is te zien, dat de bomen ooit zijn afgezet. Een boom die tot op de grond wordt omgezaagd loopt namelijk met meerdere stammetjes uit. Het bosje wordt dan wat dichter en na een jaar of tien kan er weer geoogst worden. Stobben worden ook wel strubben genoemd. Het mooiste Strubbenbos in ons land vind je in de omgeving van het Drentse Anloo, in het esdorpenlandschap van de Drentsche Aa. Hakhoutbosjes moeten worden beheerd, willen ze hun functie behouden.

Strubbenbos bij Anloo

Zijn ze er straks nog ? 

Voor het in stand houden van ons oude cultuurlandschap zijn vrijwilligers nodig. Natuurbeheerders en vaak ook particulieren kunnen het niet alleen af.  Zijn die vrijwilligers er  straks nog ? Veel jongeren hebben geen tijd voor vrijwilligerswerk of kennen het begrip niet of nauwelijks. De wat oudere generatie moet steeds langer doorwerken. En de vele pensionado´s van nu gooien over een poosje ook het bijltje er bij neer. Gaat dat goed komen ?

Oud cultuurlandschap bij De wijk

Op de foto hierboven zie je het oude en kleinschalige cultuurlandschap bij De Wijk. Landgoederen, bosjes, houtwallen en houtsingels. Allemaal ontstaan door mensenhanden. Maar die handen zijn nu nodig om het landschap mooi te houden.

 

 

Geplaatst in Boerderijen, kleinschalig landschap, landschapselementen | Getagd , , , | Een reactie plaatsen

Met de ooievaar gaat het goed

Het gaat goed met de ooievaars in Nederland. Dagblad Trouw kwam op vrijdag 1 maart met een artikel  over de comeback van de ooievaar in ons landschap. Eindelijk eens een verhaal over een vogel  waar het wel goed mee gaat. Oorzaak van de redding van de ooievaar ? Zijn populariteit en de bijzondere band met de mens. Natuurlijk kennen we de mythe van de ooievaar als babybrenger. In ander landen is dat bijgeloof ook aanwezig.  In Bulgarije, zo vermeldt het artikel, geven de mensen elkaar met de jaarwisseling een armbandje dat pas af mag bij het zien van de eerste ooievaar. De  ooievaar is een echte mensenvogel. Plaatstrouw en monogaam, twee eigenschappen die het in de mensenwereld goed doen. De vogel profiteert ook van de mens. Broeden op hoogspanningsmasten, schoorstenen of paalnesten, uitkijken vanaf lantarenpalen en zoeken naar voedsel  achter de machine aan als de boer het gras maait.

Niet alle ooievaars trekken 

Tijdens de jaarlijks wintertelling in januari 2019 werden meer dan 500 ooievaars in ons land geteld. Iets meer dan 100 werden waargenomen in het Reestdal. Oudere ooievaars bleven altijd al vaak hangen, omdat ze gewend waren om gevoerd te worden. De jonge ooievaars trekken bijna allemaal naar het zuiden. In zachte winters eten de blijvers vaak wormen, muizen en mollen . Of worden nog bijgevoerd.

Niet meer op de Rode Lijst 

In 2009 werd de ooievaar van de Rode Lijst gehaald.  ( lijst met bedreigde vogelsoorten) Inmiddels vliegen er in het broedseizoen rond de 2000 ooievaars in ons land. Dat is een ander getal dan de twintig die we in de jaren´60 nog hadden. Toen was het zien van een ooievaar een bijzondere  gebeurtenis !   In 1969 startte een herintroductieprogramma . Er kwamen 12 ooievaarsbuitenstations door het hele land. Moederstation ´Het Liesvelt´bij Groot Ammers fokte en verzorgde ooievaars in gevangenschap. Een deel van die ooievaars werd vervolgens uitgezet bij buitenstations, waar het voeren en verzorgen langzaam werd afgebouwd. Uiteindelijk moesten de ooievaars  zich zonder mensenhulp zien te redden. Zo ver zijn we nu al een poosje. Een aantal stations is nu gesloten. De anderen zijn nog open om ooievaars te blijven volgen en om informatie te verzamelen.

Link naar het artikel. 

artikel uit Trouw vrijdag 1 maart 2019

Geplaatst in Fauna | Een reactie plaatsen

Pollenfabriek zwarte els houdt van natte plekken

De zwarte els produceert enorme hoeveelheden stuifmeel

Silhouet takken zwarte els in de winter

Als één boom in de wintermaanden makkelijk te herkennen is, dan is het wel de zwarte els. Het silhouet wordt namelijk bepaald door de aanwezigheid van honderden zwarte elzenproppen, de vrouwelijke katjes van vorig jaar. En als je wat dichterbij komt vallen de paars gekleurde knoppen op.

 

 

Eenhuizig

Elzen zijn eenhuizig. Dat wil zeggen, dat de boom mannelijke én vrouwelijke bloemen

mannelijke meeldraadkatjes zwarte els

draagt. De bloemen worden katjes genoemd. Het zijn windbloemen en ze vallen niet echt op. Lekker ruiken doen ze ook al niet, insecten vliegen er aan voorbij. De mannelijke katjes, lange gele “snottebellen” , produceren enorme hoeveelheden stuifmeel. Schud aan een elzentak met rijpe meeldraadkatjes en je ziet het. Wolken geel poeder vliegt je om de oren. De vrouwelijk bloemen (stamperkatjes) vallen helemaal niet op. Het zijn ovaalronde

Stuifmeel op de schubben van de vrouwelijke elzenkatjes

rode knopjes die uit kleine schubben bestaan. Het stuifmeel van de meeldraadkatjes moet tussen deze schubben terechtkomen. Als de stamperkatjes bestoven en bevrucht zijn veranderen ze in groene kegeltjes. Het jaar erop zijn ze rijp en bruin/zwart van kleur. Ze worden dan elzenproppen genoemd.

 

Stuifmeel

In de plantenwereld wordt stuifmeel op verschillende manieren verspreid. Insecten doen

Pollenkorrels zwarte els ( bron : www.vcbio.science.ru.nl )

dit, de wind natuurlijk en er zijn ook planten die de pollen via het water kwijt raken. De zwarte els is een windbloeier. Net als de berk en de hazelaar. De bloei komt vroeg als de boom nog niet in het blad staat. Logisch, de wind moet de katjes goed kunnen bereiken. Typische kenmerken van windbloeiers zijn verder de vrij onopvallende bloei, enorme stuifmeelproductie, geen of heel weinig nectar, relatief lichte pollenkorrels.

Het oppervlak van de pollenkorrels bij de zwarte els is lichtgolvend met goed zichtbare, kleine uitsteekseltjes die soms ribbels lijken te vormen. De kleur van het pollen is lichtgeel.  (bron : www.vcbio.science.ru )

 Knoppen

Aan het blad herkent men de boom. Dat is waar, maar vergeet de knoppen niet. Er zijn veel bomen en struiken met karakteristieke knoppen. Denk maar aan de paardenkastanje met zijn kleverige grote bruine knoppen of de zwarte knoppen van de es. De eironde elzenknoppen zijn prachtig paars van kleur en ze staan op kleine steeltjes. Vooral in de maanden februari en maart, net voordat ze openbarsten, zijn ze goed te zien.

Hout

Het hout van de zwarte els is niet erg duurzaam, daar is het te zacht voor. Onder water en afgesloten van zuurstof is elzenhout wel in staat om lang goed te blijven. Het heeft ook een bijzonder eigenschap. Als het hout in aanraking komt met de buitenlucht verandert het sterk van kleur. Het blanke hout krijgt dan een oranjerode kleur. De oorzaak van die kleurverandering is niet helemaal duidelijk. Er wordt beweerd dat koolmonoxide de oorzaak hier van is. De rode kleur van gezaagd elzenhout heeft altijd tot de verbeelding van de mens gesproken, want er zijn vele sagen en legendes over gemaakt. Bijgeloof viert hier hoogtij. Zo zou een bloedende els een kwade geest herbergen. Tijdens de Middeleeuwen was het kappen van elzen in Ierland verboden.

Zwarte els op een mooie esrand bij Rabbinge

Elzensingels en moerasbosjes

Moerasbos

In het Reestdal tref je op verschillende locaties elzensingels aan. Vaak langs sloten of langs graslanden en akkers. Vroeger werden elzensingels geplant als windsingels of om er brandhout of geriefhout uit te halen. In dat geval werden de elzen tot op de grond afgezet. Dat gebeurde om de acht tot tien jaar. Na het omzagen groeiden de elzen dan weer opnieuw uit. Zwarte elzen tref je ook in kleine natte bosperceeltjes aan. Moerasbosjes kwamen vroeger veel voor op de flanken van een beekdal.

Elzensingellandschap als erfgoed

Een gebied, waar je mooie elzensingels kunt zien is de omgeving van Staphorst en Rouveen. Toen dit gebied nog niet door ruilverkavelingen was verknald stonden hier duizenden elzen. Kilometers lange singels bepaalden het landschap. Daar is veel van verdwenen. Gelukkig ziet men nu de waarde van dit oude cultuurlandschap in. De Vereniging Nederlands Cultuurlandschap ziet dit landschap zelfs het liefst op de lijst van de Unesco.  In 2010 startte een project van de Provincie Overijssel i.s.m. netwerkbeheerder Tennet, de gemeente Staphorst en andere organisaties om het oude cultuurlandschap in de omgeving van Rouveen (o.a. langs de A28) een beetje de glans te geven van vroeger. Uiteindelijk moet zo’n 50 kilometer aan elzensingels worden hersteld of geplant. Tennet speelt hierin een rol als “goedmaker”, omdat een hoogspanningskabel die het Reestdal doorkruist niet werd verwijderd.

Meer lezen ? 

Een boeiend artikel over windbestuiving

Over de drie manieren waarop stuifmeel wordt verspreid

Informatie over de zwarte els op website Flora van Nederland

Last van pollenallergie ?  Kijk op de Hooikoortsradar voor de meest actuele info.

Over elzensingels in ons land

 

 

Geplaatst in Flora | Getagd , , | 1 reactie

Galanthofilie in de tuin van Dickninge

Massale bloei sneeuwklokjes in de tuin van Dickninge

Tegenwoordig is bijna alles wat op -ofilie eindigt een beladen begrip. Met een galanthofiel is niet zo veel aan de hand. Die houdt vooral van sneeuwklokjes. Galanthus betekent melkwitte bloem. Bedacht door Linnaeus in de 18e eeuw. In Engeland noemen ze de plant snowdrops. Ook leuk bedacht. Sneeuwklokjes zijn stinzenplanten. Planten die vroeger zijn ingevoerd (vaak bol-en knolgewassen) om tuinen van deftige huizen en landgoederen te verfraaien. In de tuinen van landgoed Dickninge staan de snowdrops in februari bij honderden in bloei. Het zijn de voorlopers van andere stinzenplanten, zoals de holwortel, want die kleurt in april de tuinen wit en rose.

 

Landgoed Dickninge ligt even buiten De Wijk en leent zich prima voor een korte wandeling.

Meer lezen over sneeuwklokjes ? 

Het sneeuwklokje is een stinzenplant 

Hoe sneeuwklokjes ooit op Texel belandden ? Klik hier: http://www.trouw.nl/tr/nl/4932/Tuinrubriek/article/detail/3188628/2012/02/19/Hoe-komt-het-sneeuwklokje-op-Texel-terecht.dhtml

Informatie op Flora van Nederland 

Filmpje over het vermeerderen van sneeuwklokjes

Geplaatst in De mooiste plekjes, Flora | Getagd | Een reactie plaatsen

De klapekster : slimme slachter op de uitkijk

klapekster op de uitkijk

Dertig jaar geleden begon Koos van Zomeren over de natuur te schrijven. Zijn oeuvre is omvangrijk en in erg veel van zijn boeken staan natuur, landschap, flora en fauna centraal. In 2014 verscheen een opvallend boekje: Het verlangen naar de klapekster. De schrijver woont in Arnhem en wandelt heel vaak met de hond door bos en hei. Al gauw is Koos in de ban van de klapekster. Gedurende vier winters noteert hij alle waarnemingen van klapeksters. En daar blijft het niet bij. Hij zoekt contact met ornithologen en andere vogelaars die allemaal dezelfde passie voor de vogel hebben als hij. Wat maakt een klapekster zo bijzonder ? En hoe komt het dat deze wintergast bij de meeste mensen zo onbekend is ? Een prachtig boekje over deze slimme vogel met een grote persoonlijkheid. Ook ik ben een beetje besmet met het klapekstervirus. Mijn dag is helemaal goed als ik er weer eens één gezien heb. In de omgeving van het Reestdal zijn er kansen genoeg. Je moet een beetje geluk hebben en een goede verrekijker. Van afstand laat de klapekster zich namelijk goed bekijken. Maar de vogels is erg slim en is je altijd te slim af. Zo is ie weg om even later op een andere plek weer op te duiken. In dit artikel vertel ik over één van de meest aansprekende vogels die we in ons  land hebben.

klapekster met lange zwarte staat en grijze rug

Eerste kennismaking

De klapekster is geen ekster, maar een klauwier. Klauwieren zijn zangvogels met de eigenschappen van een roofvogel. Broeden doet de klapekster niet meer in ons land, maar overwinteren wel. Het favoriete biotoop is open landschap als duin en heide met ruigte en open plekken. Zit graag in top van struik, boom of op een draad. Dit gedrag maakt de klapekster op grote afstand al zichtbaar. De klapekster heeft drie belangrijke kleuren: grijs, zwart en wit. Erg mooi is de kop. Over de ogen draagt de vogel een ‘Zorromasker’, een zwarte band over de ogen. De rug is grijs, de borst wit, de staart lang en de vleugels relatief kort. Een klapekster herken je ook aan zijn vlucht: golvend en snelle vleugelslagen die afgewisseld worden door glijvluchten met ingetrokken vleugels. De snavel heeft een kort scherp haakje. De poten zijn fors met scherpe nagels , maar het zijn geen klauwen. Een klapekster kan geen prooi met zijn poten vasthouden. Dat moet ie met zijn snavel doen. Het voedsel bestaat uit muizen, kleine vogels, hagedissen en insecten. Net als zijn neef de grauwe klauwier heeft de klapekster de gewoonte om prooien aan scherpe uitsteeksels ( doorns, prikkeldraad) op te hangen.

Lanius Excubitor : De slager die de wacht houdt

Het is altijd leuk om naar de oorsprong van de vogelnaam te kijken. Het etymologisch woordenboek van de Nederlandse Vogelnamen ( Klaas J. Eigenhuis) geeft hierover veel informatie. Eerst de Nederlandse benaming : klapekster. Het woordenboek zegt hierover : ‘een duidelijk voorbeeld van een verkeerd gekozen Nederlandse naam voor een vogelsoort.’ Een tekst uit de 18eeeuw spreekt over ‘klapekster’ en bedoelt dan een ekster (

Uit etymologisch woordenboek vogelnamen

pica pica) die heeft leren praten. Het werkwoord klappen betekent immers praten. In het gezegde ‘Uit de school klappen’ zie je dit terug. Vroeger gebruikte men het spreekwoord  ‘Hij klapt als een Aekster’. De naam klapekster is in de loop van de tijd overgegaan op een heel andere niet verwante soort. Een beetje verklaarbaar is het wel, want  zowel de ekster als de klapekster zijn bont en hebben een lange staart. Maar daar houdt de gelijkenis dan wel mee op.

De klapekster heeft nog een andere naam : de Wachter. Vroeger werd deze volksnaam gebruikt door valkeniers. De naam moet je zien als ‘hij die de wacht houdt, waakzaam is en scherp waarneemt’. ( etymologisch woordenboek Nederlandse vogelnamen) Valkeniers gebruikten de opmerkzaamheid van een gevangen klapekster om wilde roofvogels te ontdekken. Ook wordt beweerd dat Linnaeus de naam Excubitor ( wachter) gebruikte omdat de klapekster andere vogels waarschuwt bij het zien van roofvogels door dan luid te gaan krijsen. Toch wel vreemd, want klapeksters zijn nogal zwijgzaam. Bovendien vangt de klapekster zelf ook andere vogels.

Koos Dijksterhuis in dagblad Trouw over de klapekster

Dan nog even het Latijnse woord Lanius. Dat betekent slager of slachter. Dat is een negatief geladen woord voor zo’n mooie vogel. Heb je wel eens een klapekster in je verrekijker gehad ? Daar kun je alleen maar van genieten. Dan wil je het woord slachter niet horen. Toch moeten we wel realistisch blijven. Hoe mooi de vogel ook is, het is een rover. Kleine vogels, muizen, reptielen en insecten, met een Lanius Excubitor op de uitkijk ben je als heidebewoner je leven niet zeker. En half dood opgeprikt worden in een meidoorn, braam ,of nog erger in het prikkeldraad,  is ook geen lolletje.

Wintergast

De klapekster wil niet meer in ons land broeden. Sinds een jaar of twintig moeten we hem in de zomerperiode missen. Het Hulshorsterzand op de Veluwe wordt genoemd als laatste plek waar een broedsel (van drie jongen) uitvloog. Ooit broedden er honderden paren klapeksters in ons land, maar het landschap zag er toen heel anders uit: veel woeste gronden van heide en venen, kleinschalig landschap met veel ruigte en onbenutte hoekjes, veel stille natuur, niet dat nette aangeharkte landschap met hier en daar nog wat natuur, zoals het Nederland van de 21e eeuw. Om zich voort te planten zoeken de klapeksters het liever hoger op, in Zweden, Finland of Polen. In de winter wordt het vinden van prooidieren daar een lastig verhaal en besluiten ze om wat naar het zuiden af te zakken. Gemiddeld blijven zo’n 300 tot 400 klapeksters bij ons in de periode november tot en met maart.  Er zijn goede ( 400-600) en slechte ( 150-300) klapeksterjaren. Dit heeft waarschijnlijk  te maken met broedresultaten in het noorden. Klapeksters hebben voorkeur voor natuurlijke landschappen als heidevelden, hoogvenen, moerasgebieden, kapvlaktes, zandverstuivingen, duinen en kleinschalig cultuurland.

Klapekster in winterzonnetje

Winterterritorium

De klapekster heeft een eigen territorium.  Je ziet de vogels dus vaak in zijn eentje. Soortgenoten jaagt ie weg. Die moeten maar een ander gebied zoeken. In de 1000 ha grote Engbertsdijksvenen ( hoogveengebied bij Kloosterhaar) komen meestal maximaal 5 klapeksters voor.(Twentse Vogelwerkgroep) Onderzoek toonde aan, dat het territorium van een klapekster heel groot is. Het kan variëren van 50 tot 250 ha, soms zelfs nog groter. Binnen dit gebied heeft de klapekster dan een aantal kleinere kernen waar hij actief is en op zoek gaat naar voedsel. Dat verklaart ook het onvoorspelbare gedrag van de vogel. Zie je bijvoorbeeld drie dagen achter elkaar een klapekster op hetzelfde heideterrein, kijk dan niet vreemd op dat hij daarna spoorloos verdwenen is. De klapekster op Takkenhoogte bijvoorbeeld zit een dag later misschien een week op het Nolderveld om daarna de heide van de Wildenberg te bezoeken. En wie weet waar hij allemaal nog zit. Dat wispelturige en geheimzinnige gedrag  maakt het moment dat je hem weer ziet altijd bijzonder !

klapekster met prooi

Voedsel

De klapekster is een opportunist en eet prooidieren die het meest in zijn biotoop voorkomen. Op droge heiden en stuifzanden worden vaak mestkevers gevangen, in nattere gebieden zoals hoogvenen zijn dat vooral muizen. In het vroege voorjaar, de meeste klapeksters vertrekken pas in april, staan veel levendbarende hagedissen op het menu. In hoogvenen, zoals de Engbertsdijksvenen worden ook heikikkers gegeten.  Kleine zangvogels zoals mezen en vinken worden ook gegeten. Zoals eerder vermeld is een klapekster niet goed in staat om prooi in zijn poten mee te nemen. Dat moet ie met zijn snavel doen. Het haakje aan zijn snavel zal hem daarbij helpen. Meestal wordt een prooi snel op gegeten. Op koude winterdagen heeft de vogel veel energie nodig. Men heeft ontdekt dat in de namiddag, vlak voor de avond valt,  grotere prooien (muizen) worden gegeten. Zo’n lekker hapje kan dan ook uit de ‘voorraadkast’ komen. Net als neefje grauwe klauwier legt de klapekster vaak een voorraadje aan van prooien die hij op scherpe takken of doorns spietst.

Archemermaten: in de winter de klapekster ,in de zomer de grauwe klauwier

Om een idee te geven wat een klapekster zoal naar binnen werkt volgt hier een fragment uit het boekje ‘Het verlangen naar klapekster’ Koos van Zomeren. Het gaat over het gedrag van één klapekster in het Gooi waargenomen op 28 maart in 2012 : ….’de van der Poels ( onderzoekers) hebben van de ochtend tot de avond hun klapekster in de gaten gehouden, speciaal om wat hij teweeg bracht in de plaatselijke populatie levendbarende hagedissen. Hij bleek de dag te beginnen met het verorberen van twee gehangen hagedissen van de vorige dag. In vervolg daarop werden er die dag in totaal 18 gevangen, waarvan er 13 direct of na kortere tijd werden opgegeten. Vijf beesten bleven

Een klapekster pakt ook nogal eens een winterkoning

dus hangen voor later.’  In het tijdschrift Ravon plaatsten Paul en Loes van der Poel een artikel over het foerageergedrag van klapeksters. In de winter van 2009/2010 werden de gespietste of geklemde prooien van één klapekster geteld. De oogst was erg indrukwekkend: 35 insecten ( veel kevers), 26 zoogdieren ( muizensoorten), 40 vogels ( winterkoning, mees en roodborst), 38 reptielen ( levendbarende hagedissen). Doorgaans worden de prooien op een vaste plek verwerkt :  laten we het maar de slachtplaats van Lanius Excubitor noemen. We weten precies wat  klapeksters eten dankzij braakbalonderzoek. Braakballen worden gevonden onder slaapbomen.

Klapeksterbiotoop in Engbertsdijksvenen

Biotoop

Eerst maar even een paar voorbeelden landschappen waar je de klapekster niet gauw zult aantreffen : in bossen en het agrarische landschap. Een klapekster die in ons land de winter doorbrengt heeft namelijk  een paar noten op zijn zang. Het landschap moet open

klapeksters houden niet van heide die vergrast

zijn, liefst een beetje glooiend met hier en daar een boom of struik. ( als uitkijkpost en slaapboom) De vegetatie moet kort zijn met open plekken. Heide bijvoorbeeld moet niet te nat en zeker niet te hoog. Heide die sterk aan het vergassen is of bedekt met hoge en dichte planten van struikheide is bij klapeksters niet populair. Net als geplagde heide. Daar is ook niets eetbaars te vinden. Voor het vangen van kevers, muizen en hagedissen heb je open ruimtes nodig. Een onderzoek op de Veluwe kwam met een verrassende conclusie. Klapeksters houden ook van ruige akkers. Ze vangen er veel muizen.

Is er nog toekomst voor de klapekster in ons drukke landje ?

Ja, er zijn positieve ontwikkelingen. Ook negatieve trouwens. Eerst naar de goede kant van de zaak. Om het klapeksters naar de zin te maken is het herstellen van grotere heide- en hoogvenen nodig. Landschap Overijssel bijvoorbeeld is momenteel  op de Lemelerberg en bij Beerze bezig  grote oppervlakten aan bos om te zetten naar heide. Dat betekent dat er

bos maakt plaats voor heide op de Lemelerberg

meer leefruimte voor de klapekster komt. Het zal nog wel wat jaren duren voordat deze gebieden zo verruigd en gevarieerd zijn dat er genoeg voedselaanbod is, maar het zijn stappen op de goede weg. Grote grazers op de heide, zoals koeien en schapen, zorgen voor meer mestkevers . Bovendien komt er meer variatie in het landschap en neemt de biodiversiteit (lees : meer voedselaanbod zoals muizen en kleine zangvogels ) toe. De aanleg van natuur- en wildakkers en bloemrijke akkerranden is ook gunstig. De akkers worden niet geoogst en trekken in de winter veel muizen en vogels aan. Kan gunstig

grote grazers zorgen voor meer mestkevers

uitpakken voor overwinterende klapeksters, zeker als deze akkers aan de randen van heidevelden liggen. Nadelig voor klapeksters is de toename van onrust in overwinteringsgebieden. In sommige terreinen is de recreatiedruk groot en wordt de klapekster gedwongen om zich te verplaatsen. Het kan meevallen, want klapeksters laten zich ook regelmatig goed bekijken. Meestal gaan ze toch gauw op de vlucht. De achteruitgang van insecten kan ook negatief uitpakken. We weten dat de vogels veel kevers eten. Wat voor invloed dit heeft op het menu van de klapekster moeten we nog maar afwachten.

Struin met je verrekijker de vlakte af en let op de toppen van bomen en struiken

Hoe ontdek je een klapekster ?

Weet wel waar je aan begint als je op zoek gaat naar je eerste klapekster. De kans bestaat dat je bij het ontdekken van je eerste exemplaar voorgoed ‘verloren’ bent. Titels van verslagen en boeken als ‘In de ban van de klapekster’ of ‘Het verlangen naar klapekster’ zeggen genoeg. Er zijn vogelaars die niet meer normaal  een heide kunnen bezoeken. Ze móeten met de kijker de vlakte afturen op zoek naar de ene vogel in de top van een boom of struik.  Als je eenmaal door hebt hoe een typisch klapekstergebied er uit ziet, wordt de kans op een ontmoeting groter. In het Reestdal kun je een klapekster tegen komen op de heide van Takkenhoogte, Meeuwenveen en De Wildenberg. Waarschijnlijk ook in de Vledders, maar daar mag je niet komen. Net als de Archemermaten langs de Regge bij de stuw van Archem. Ook niet toegankelijk, maar wel een mooi klapeksterbiotooop.  Gelukkig kun je vanaf de randen vaak de terreinen goed overzien. Ik heb deze winter klapeksters waargenomen in de Engbertsdijksvenen, op het Dwingelderveld en op Takkenhoogte. Vorig jaar zat er ook ééntje in de Junner Koelanden. Kijk op de website vogelkijkhut.nl . Daar vind je actuele waarnemingen van klapeksters.

Neef grauwe klauwier broedt wel in ons land

Waarom broedt ie hier niet meer ?

Het antwoord op deze vraag is lastig te geven. De grauwe klauwier, qua gedrag en voedselkeuze lijkend op zijn neef klapekster, broedt wel in ons land. Sterker nog, het gaat steeds beter met deze vogel. Hij voelt zich thuis in typische klapeksterbiotopen, houdt ook van open terrein met veel variatie en struwelen. Eet ook insecten, muizen, reptielen, vogels, dus klapekster : wat let je ? In 1999 de laatste klapekster broedende klapekster in ons land , een come-back van deze prachtige vogel zou erg mooi zijn.

Gebruikte bronnen :

Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen – Klaas J.Eigenhuis

Vogels van Europa- Lars Jonsson

Het verlangen naar klapekster- Koos van Zomeren

Vogelatlas van Nederland -Sovon uitgave 2018

Kwartaalblad 67 Het Drentse Landschap

Sovon

Eigen waarnemingen

Informatieve links :

- Over het onderzoek van Paul  van der Poel in de winter van 2010/2011

- Over Groningse klapeksters in 2016 

- Over de conditie,dieet en plaatstrouw van klapeksters op de Veluwe en de         Engbertsdijksvenen

- Over aantallen en verspreiding in Nederland

- Algemene informatie over de klapekster van Vogelbescherming 

- Mooi filmpje op  YouTube

- Youri in de ban van de klapekster op YouTube

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Fauna | Getagd , , , , , | Een reactie plaatsen

Wintertelling ooievaars : rondje Reestdal

Dagblad Trouw opende maandagmorgen 14 januari 2019 een column met ´Is er sprake van winter met 108 ooievaars in het Reestdal?´ Het was niet alleen deze krant. De

ooievaarstelling dagblad trouw 14 januari 2019

jaarlijkse wintertelling van onze Nederlandse ooievaarspopulatie krijgt ieder jaar veel aandacht in de media. Zelfs het NOS- journaal besteedde er zondagavond  aandacht aan. De telling wordt door vrijwilligers gedaan. De organisatie is in handen van STORK. Dit is een organisatie bestaande uit vrijwilligers die zich belangeloos inzetten voor de ooievaars in ons land.

Eerst aan de Overijsselse kant

Zondagmiddag rijden we in een kalm tempo het hele Reestdal door. Verrekijkers en camera met telelens aan boord. Eerst via de Overijsselse kant, van Noord Stegeren richting De Paardelanden en Schrapveen. Dan naar Balkbrug en Oud- Avereest. Via Groot Oever naar IJhorst en Halfweg. Geen ooievaar te zien. Was ook wel te verwachten. Het ooievaarsparadijs moet dan immers nog komen: de natte hooilanden achter ooievaarsstation De Lokkerij. Daar staan altijd groepen ooievaars. Soms heel dicht bij de

Ooievaars eten veel regenwormen

Lankhorsterweg, vaak veel verder het land in. Zoals nu. Twee groepen zien we. Ze staan in Drenthe op een afstand van een paar honderd meter. Een aantal erg dicht bij elkaar. Erg gezellig, maar moeilijk te tellen! Door de kijker, nauwelijks stil te houden door de straffe wind, lukt het redelijk. Een groep van 18 en meer naar rechts staan er ongeveer 75. Een wilgenbosje staat in de weg. Staan er nog ooievaars achter ? Iets verder door rijden. Ik maak een paar foto´s.  Maar hebben we ze allemaal ? Verderop, in de graslanden achter het ziekenhuis van Meppel is het leeg.

Achter De Lokkerij 

We slaan rechtsaf  de Reestweg in. De hooilanden zijn hier nat. Hopelijk herstelt de grondwaterstand zich in de komende maanden. Geen grote zwartwitte vogels met een rode snavel in zicht. Weer terug naar de Lankhorsterweg en kijken of er achter het ziekenhuis van Meppel nog wat te tellen is. Nee dus. We passeren de witte brug over de Reest en rijden Drenthe in.  Langs de A28 richting Rogat.  Na de Hessenweg slaan we de Schiphorsterweg in.  Ook hier geen ooievaars. Ook niet bovenop een lantarenpaal. Dat doen ze blijkbaar het liefst in de mooie maanden van het jaar. Toch nog even bij De Lokkerij kijken. Het is er heel stil en verlaten.  De groepen  die we vanaf de Lankhorsterweg hebben gezien staan hier vlakbij. Misschien dat ze vanaf deze locatie beter te tellen zijn. In de grijze lucht vliegt een tiental ooievaars aan. Achter het reigersbosje komen ze aan de grond. Voorzichtig loop ik naar achteren, langs het bosje. In het hooiland staat een hele grote groep ooievaars. En een aantal blauwe reigers. Het lijkt erop of ze nu allemaal bij elkaar staan. En ook nog in een lang lint, niet te dicht bij elkaar. Door de verrekijker tel ik er snel iets meer dan 100. Ik maak vier foto´s die ik thuis op de computer kan combineren tot een soort panoramafoto.  Dan weer snel terug naar de auto.

Reestdal is een geschikt ooievaarsbiotoop

Klapekster ?

Via De Wijk richting De Stapel. Rechtsaf over de Stapelerweg richting de Bloemberg. Daar slaan we links af richting De Pieperij. Nergens een ooievaar te bekennen. Een mooi ritje is het wel. Het landschap rond de Reest verveelt nooit. Ook zo´n mooi weggetje: de Nieuwe Dijk. We passeren de heidevelden van Takkenhoogte en Wildenberg. Even stoppen en met de kijker turen over de de vlakke heide . Ooievaars op de heide ? Nee, ik kijk even of ie er zit: de klapekster. Vanmiddag niet. Maar vorige week wel ! Een klapekster zien is voor een vogelaar een ´wauw-moment´. Via Den Oosterhuis en De Mulderij komen we weer in Dedemsvaart.

Panoramafoto 

Thuis kijk ik naar de panoramafoto van de groep ooievaars. In alle rust kan ik ze goed tellen. Het zijn er 108. Opvallend is het vrij grote aantal niet geringde exemplaren die er tussen staan. Ik geef de telling door aan STORK en mail een paar foto´s. Wim van Nee is er blij mee. De groep in het Reestdal blijkt de grootste groep te zijn in deze wintertelling. Voor ons is dat geen verrassing. Dat is namelijk al jaren zo. De media pakken de eerste uitslagen direct op. Het getal van 108 kom ik later in kranten en op websites overal tegen. Toch leuk.

Een deel van de panoramafoto

Meer info 

Wil je meer weten over ooievaars die hier ´s winters blijven, kijk dan op de volgende websites. Die geven veel info over ooievaars die niet naar het zuiden trekken.

STORK,  de organisator van de wintertelling. 

Interview met Els en Frits Koopman, oprichters van de Lokkerij 

SOVON : over overwinterende ooievaars 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Fauna | Getagd , | Een reactie plaatsen

Is er nog toekomst voor de gewone es ?

Essen langs het kerkenpad

De es voelt zich thuis in het Reestdal. Veel wandelaars kennen de indrukwekkende essenstoven langs het kerkenpad achter de Reestkerk van Oud-Avereest. Met hun knoestige wortels, je kunt je nek er wel over breken, schreeuwen ze om aandacht. En dat mag ook wel, want het gaat niet goed met de essen in ons land. Een schimmel bedreigt hun bestaan. Gelukkig is er hoop…….

Essen aan de rand van het hooiland

Favoriete plekken

De gewone es is een heel kritische boom. Het liefst staat ie op zuurstofrijke vochtige plekken met een vruchtbare kalkrijke bodem. Het grondwater moet in beweging zijn. De boom is nogal gevoelig voor droogte en luchtvervuiling.

Langs wegen en lanen

Essen vind je langs wegen, lanen, in houtwallen en (beekbegeleidende) bossen. Vroeger werden essen ook als grensbomen geplant op de hoeken van erven en langs sloten en singels. In de provincie Flevoland komen de meeste (nog jonge) essenbossen voor.

Tak es met karakteristieke zwarte knoppen

Zwarte knoppen

In de wintermaanden kun je essen gemakkelijk herkennen aan de takken. Die staan vaak schuin omhoog gekruld. Er is geen enkele andere boom in ons land met zulke opvallende knoppen. Die zijn namelijk dofzwart en staan altijd tegenover elkaar. De eindknop is groter dan de zijknoppen. Pas laat in het voorjaar komen ze uit. De bladeren vallen al vroeg in de herfst en het duurt in het voorjaar ook nog wel even voordat de boom volledig in blad staat. Een es is dus het grootste deel van het jaar kaal. De boom kan erg hoog worden, maar de kruin blijft altijd erg open. Essen laten daardoor veel licht door.

Bloei

De bloei is opmerkelijk. Voordat de knoppen uitkomen ontwikkelen zich de bloemen.

bloeiwijze es

Eerst ontstaan rode fluwelen knoppen waaruit de pluimvormige bloemen komen. Meestal hebben de bloemen een stamper en twee meeldraden, maar ze kunnen ook alleen meeldraden hebben, of alleen een stamper. Bloemen met een stamper veranderen na bestuiving en bevruchting in bossen langwerpige vruchtjes ( een soort nootjes) met vleugeltjes. Vaak hangen deze trossen de hele winter in de boom, ook al zo´n typisch essen-kenmerk.

Geriefhout

Essen werden vroeger net als eiken gebruikt als geriefhout. Een afgezette es loopt namelijk erg mooi uit en krijgt dan veel kaarsrechte takken. Na een jaar of vijf kun je hier mooie gereedschapsstelen van maken. Essenhout blijft lang goed en het is hard, taai en een beetje buigzaam. Houten onderdelen van gymnastiektoestellen, zoals de leggers van de brug zijn ook vaak van essenhout gemaakt. In de huishouding werd het hout ook gebruikt, er werden schotels en borden van gedraaid.

Essenstoven

Essenstoven

Een es die vlak boven de grond is afgezet loopt in meerdere stammen weer uit. Jaren later geven die dikke stammen de boom een grillig karakter. Deze speciale vorm wordt een essenstoof genoemd. Er zijn meer boomsoorten die tot stoven kunnen uitgroeien. Elzen en eiken doen dit ook. In het Reest-  en Vechtdal kom je vaak hakhoutbosjes tegen. Je herkent ze aan de bomen. Die zijn vroeger regelmatig afgezet kregen daardoor een grillige vorm. Oude en verwaarloosde hakhoutbosjes zijn natuurreservaatjes op zich. De liefhebber van schimmels, mossen en korstmossen zal zich hier niet vervelen

De monumentale es van Dwarsgracht

De es van Dwarsgracht

De oudste en dikste es van Overijssel kom je tegen als je een wandeling door het mooie en vaak stille Dwarsgracht (De Wieden) maakt. Waarschijnlijk is de boom geplant rond 1820. Vanaf dat moment heeft de boom op een relatief klein oppervlak groeiruimte moeten maken, het water van Dwarsgracht staat namelijk niet ver onder het maaiveld. Om ruimte te creëren heeft de boom de grond omhoog geduwd, waardoor het nu lijkt alsof de boom op een heuvel staat. De woning die er achter staat kreeg een toepasselijke naam: Essenbelt. (Bron: website Bomenbieb)

levensboom in het bovenlicht

De es als levensboom

In het bovenlicht (raam boven de deur) van oude boerderijen valt de levensboom op. Een machtige boom reikt met zijn takken naar de hemel, stevig geworteld in de aarde met de stam als verbinding. Veel culturen kennen deze levensboom. Bij de Germanen heette de boom Yggdrasil en stelt het de es voor, hoewel er ook mensen zijn die beweren dat het een taxus is. De boom is pure symboliek. De wortels hebben contact met de onderwereld. De takken reiken naar de hemel. De boom is de bemiddelaar tussen goden en mensen. Maar het is meer dan dat. Voor de boeren die het land bewerkten is de boom ook het symbool voor de kringloop van de seizoenen. Het nieuwe leven in de lente, de oogsten in de zomer, vruchten en verval in de herfst en de rust tijdens de winter.

artikel Trouw 21 december 2018

Essentaksterfte

Langs wegen zijn de laatste paar jaar veel essen weggehaald. Net als in de bossen van Flevoland, de provincie met de grootste essenpopulatie van ons land. Oorzaak ? Het essenvlieskelkje, een schimmel die op dode gevallen takken groeit. De sporen van het zwammetje worden met de wind verspreid en infecteren de boom. Bladeren en takken sterven dan af. Als dat ook met de stam gebeurt is het einde verhaal. Er zijn essen die de ziekte zouden kunnen overleven, maar uit voorzorg toch worden gekapt. Veel gemeenten gaan serieus om met hun zorgplicht en nemen geen risico. Tegen de essentaksterfte is niets te doen, maar onderzoek van de Wageningen Universiteit biedt wel hoop.

Voor nog meer info over essentakziekte  klik je hier

Onderzoek naar resistentie

Een proef met 1100 geënte bomen ( onderstammetjes) op een veldje in het Drentse Peize maakte duidelijk dat er altijd bomen zijn die meer weerstand hebben. In het artikel ´Redding voor de es is nabij´ in dagblad Trouw van 21 december 2018 vertelt onderzoeker Jelle Hiemstra: ´We lieten stukjes hout infecteren met de schimmel. Vervolgens sneden we de bast open, staken er een besmet stukje hout tussen en draaiden er tape omheen. Zo wisten we zeker dat de proefbomen besmet raakten.´ En wat gebeurde er? Veel van de besmette essen werden ziek, maar er waren ook exemplaren die minder gevoelig bleken voor de schimmel. Bosbeheerders willen echter geen cultivars, maar de inheemse gewone es. En dan liefs een resistente boom. Een andere onderzoeker, Paul Copini van het CGN- WUR schakelde het publiek in. Sinds 2017 konden mensen die tussen aangetaste essen ook gezonde bomen zagen staan dit op een website melden. Medewerkers gingen dan kijken, sneden gezonde takken af en zetten die dan op onderstammen van de gewone es. Zo kreeg Copini 200 sterke varianten van de gewone es als basis voor verder onderzoek. Op een aantal proefveldjes zijn gezonde essen geplant om te kijken wat er in de komende jaren gebeurt.

Gelderingensteeg is een oud kerkenpad

Gelderingensteeg

Op een aantal locaties in ons land komen heel oude hakhoutbomen voor. Bijzonder oud essenhakhout is te vinden vlak bij Steenwijkerwold. Daar loopt een oud zandpad met de

informatiepaneel over historie Gelderingensteeg

naam Gelderingensteeg. Langs dit eeuwenoude pad vind je essenstoven van meer dan 500 jaar oud!  Zo mooi en zo oud zijn de essen langs het kerkenpad van Oud-Avereest niet. Om de grilligheid en mystiek te krijgen van eeuwenoud hakhout zul je de bomen regelmatig moeten afzetten en vooral veel geduld hebben. “Boompje groot, plantertje dood “ gaat voor deze bomen zeker op.

Geplaatst in Flora, Natuur | Getagd , , , , , | Een reactie plaatsen