De holwortel bloeit op Dickninge !

Massale bloei van holwortels in de tuin van Dickninge

In het Reestdal is de holwortel  de bekendste vertegenwoordiger van de stinzenflora. De tuin van Landgoed Dickninge trekt in het vroege voorjaar veel wandelaars. Iedereen wil ze namelijk zien; de duizenden bloeiende holwortels. Er wordt naar hartenlust gefotografeerd en gefilmd en dat is ook geen wonder, want in het vroege voorjaar is de tuin van Dickninge een paradijs voor plantenliefhebbers.

Hommel haalt nectar uit bloemen van de holwortel

Helmbloem

De holwortel hoort bij de helmbloemen. Ze zijn er in het wit en in het paars. De bloemen worden vooral bezocht door bijen en hommels, ook citroenvlinders zijn in bloeiende holwortels geïnteresseerd. Bij de landing op de bloem buigt de vergroeide onderlip van de bloem een beetje door. Zo komen de meeldraden en de stamper vrij en slaan tegen de buik van het insect. Met de buik vol stuifmeel vliegt de hommel naar een andere bloem. De knol van de holwortel is, zoals de naam al doet vermoeden, hol van binnen. De plant groeit het liefst op luchtige humusrijke grond.

Geneeskrachtig

In de holle wortels zitten geneeskrachtige stoffen. In het boek “De plant in de geneeskunde” (uitgeverij Atrium) worden corydaline en bulbopadine genoemd. Deze stoffen hebben een kalmerende en verdovende werking en worden toegepast bij ziekten met spiersamentrekkingen. In de omgeving van landgoed Dickninge wordt deze stinzenplant ook wel kloosterkruid genoemd. In de middeleeuwen werd op deze plek vanuit Ruinen een klooster gesticht. Landgoed Dickninge ligt tussen De Wijk en Meppel. Een deel van de tuin rondom het landhuis is vrij toegankelijk.

bosanemoon op zoek naar licht

Bosanemoon 

Het zijn niet alleen de duizenden holwortels die de tuin van Dickninge zo aantrekkelijk maakt. Je kunt er ook genieten van prachtige witte tapijten van bosanemonen. Ook bloeien de gele sterretjes van het speenkruid. Als de voorjaarszon schijnt is het een feest om al die voorjaarsbloeiers te bekijken. Deze planten hebben veel licht nodig om te groeien en te bloeien. Ze zijn er dus altijd vroeg bij en komen tot ontwikkeling in een periode dat de bomen nog geen bladeren hebben. Wil je weten op welke plekken in het Friesland nog meer stinsenplanten te zien zijn, kijk dan op de website van de stinze Stiens. 

Tapijt van bosanemonen

 

Geplaatst in Flora | Getagd , | Een reactie plaatsen

Stinzenflora

Gevlekt longkruid in de tuin van Jongema State in Raerd

Landgoed Dickninge heeft in onze regio, maar ook ver daar buiten, naamsbekendheid als het gaat om de bijzondere flora in april. Als de bomen nog kaal zijn is het voorjaar in de tuin al lang begonnen. In  februari en maart komen de sneeuwklokjes massaal boven de grond  en in eind maart  is de bodem van het bos bedekt met de kleurrijke tapijten van holwortels en ander vroege bloeiers.

En eigenlijk moet het voorjaar dan nog beginnen. Opvallend is de plek waar deze planten

lenteklokje

hun snelle explosieve groei laten zien; waarom alleen daar en niet ergens anders, waarom wel in de tuin van Dickninge en niet daarbuiten ? Het antwoord is niet zo moeilijk te geven. We hebben het hier over een bijzonder groep binnen de Nederlandse flora : de stinzenplanten

Narcissen in de tuin van Martena State Kornjum

Stins

Het woord stins is een Fries woord. Het betekent versterkt en stenen huis.  In Friesland is men ooit begonnen om de typische flora van de stinzentuinen te beschrijven. De rijke bewoners van veel stinzen waren waarschijnlijk niet echt tevreden over hun tuinen, want men liet uit Midden-en Zuid-Europa rijkbloeiende en sierlijke gewassen importeren om de tuinen en parken wat meer aanzien te geven.

 

holwortel

Holwortel

Ook bij kloosters werden deze tuinen met stinzenflora aangelegd, maar dat gebeurde vaak om een andere reden. Men had ontdekt, dat er ook planten tussen zaten met  geneeskrachtige eigenschappen. De holwortel op Dickninge heeft zeer waarschijnlijk alles te maken met  het dubbelklooster Dickninge , dat eeuwenlang op de plaats van het huidige landgoed heeft gelegen. Niet voor niets wordt de holwortel door veel mensen kloosterkruid genoemd.

 

Wat zijn stinzenplanten ? In een oude uitgave van de KNNV getiteld “stinzenplanten in Nederland” staat de volgende omschrijving: “onder stinzenplanten verstaan wij een soort die in zijn verspreiding binnen een bepaald gebied vrijwel uitsluitend beperkt is tot stinzen, buitenplaatsen, oude boerenhoeven, pastorietuinen en aanverwante milieus, zoals kerkhoven en oude stadswallen.Het gaat in de regel om soorten met opvallende bloemen, die vroeger op buitenplaatsen e.d. zijn aangeplant en die vervolgens zijn verwilderd en ingeburgerd”.

Martena State in Kornjum is een mooi voorbeeld van een stins

Mensenwerk 

Het milieu voor de stinzenplanten is geen natuurlijk milieu. Het is een omgeving die door toedoen van menselijk ingrijpen anders is dan de directe omgeving. Door vergraven, bemesten, aanvoer van aarde, door aanplant van bijvoorbeeld beuken, e.d. ontstond een

speenkruid

geschikt biotoop voor een stinzenflora. Er zullen dan ook heel wat jaren verstreken zijn voordat de biotische en abiotische omstandigheden optimaal genoemd konden worden. Overigens profiteren ook andere planten van deze omstandigheden. In tuinen met stinzenflora komen ook veel soorten voor, die ook buiten het landgoed zijn te bewonderen. Fluitenkruid, speenkruid, look zonder look, dagkoekoeksbloem en zevenblad zijn daar voorbeelden van.

Waar komen ze vandaan ?
Over het algemeen zijn stinzenplanten niet inheems. Veel soorten komen oorspronkelijk uit zuidelijk en oostelijk Europa.. Omdat ze inmiddels zijn ingeburgerd worden ze nu gewoon bij de Nederlandse flora  gerekend. Ze zijn dan ook in iedere plantengids te vinden.

bosgeelster

Een paar voorbeelden van stinzenplanten en hun herkomstgebied zijn:

Holwortel                                       - Centraal- en zuid-Europa
Sneeuwklokje                                 – Zuid-Europa
Maagdenpalm                                 – Zuid- en Midden-Europa
Breed Longkruid                             – Midden- en Noord-Europa
Crocus                                            -   Alpen, Pyreneeën en Balkan

 

daslook bloeit pas in april of mei

Wanneer bloeien ze?
Stinzenplanten zijn typische voorjaarsbloeiers. Ze bloeien in de vroege lente en als de zomer begint zijn ze bijna allemaal al weer verdwenen. Een kort en heftig bestaan dus. Alles moet gebeuren in een korte periode : groeien, bloeien, vruchten en zaden maken  en reservevoedsel maken voor het overleven onder de grond.

Hoe overleven ze?
In de zomer en winter zijn de bovengrondse delen van de meeste stinzenplanten niet te zien. Onder de grond bevinden zich de knollen (van bijvoorbeeld holwortel, crocus en voorjaarshelmbloem) , de bollen (van bijvoorbeeld vogelmelk, daslook en sneeuwklokje), of wortelstokken, zoals bij de gele anemoon. In het voorjaar is de groei van de planten, vooral bij warm voorjaarsweer, explosief. De meeste stinzenplanten horen thuis in de bossen, waar ’s zomers weinig licht is. Trouwens de meeste tuinen van landgoederen, buitenverblijven e.d. zijn in het vroege voorjaar rijker aan bloeiende planten dan in de zomer.

Rondom de Schierstins in Veenwouden staan veel soorten stinzenplanten

In welk milieu voelen de zich thuis?
Stinzenplanten komen in Nederland op verschillende grondsoorten voor, maar op de lichte zandgrond willen ze nauwelijks groeien. De bodem moet voedselrijk zijn, maar ook los en luchtig. Als een buitenverblijf op arme zandgrond lag moest er dus veel gebeuren om de bodem voor stinzenplanten geschikt te maken. De grond moest worden bemest. Dat kon door de vijvers en grachten op te schonen en de humusrijke modder in de tuin te deponeren. En dan natuurlijk de bomen en de struiken. Die moesten al flink gegroeid zijn voordat het milieu voor stinzenplanten geschikt was. Een biotoop maken voor stinzenplanten was geen eenvoudige zaak, het was vaak een kwestie van lange adem en veel geld.

Geplaatst in Flora, Natuur | Getagd , , | Een reactie plaatsen

Feest voor insecten: de wilgen gaan bloeien

Als hongerige wolven zie je ze de bloeiende takken van de boswilg afstruinen. Het zijn vooral honingbijen en hommels die van bloem naar bloem dansen op zoek naar stuifmeel en nectar. Elzen en hazelaars bloeien in het vroege voorjaar ook, maar dat zijn windbestuivers. Insecten hebben er nauwelijks belangstelling voor. Nectar leveren deze bomen niet of nauwelijks.

Laurierwilg groeit o.a. op Landgoed de Havixhorst

Tien soorten

In Drenthe en Overijssel komen zo´n tien soorten wilgen voor. Boswilgen bloeien al heel vroeg in het voorjaar, laurierwilgen bijvoorbeeld pas in juni. Wilgen zijn tweehuizig.  Dit wil zeggen, dat je mannelijke en vrouwelijke wilgen hebt. De mannelijke wilgen met hun gele  meeldraadkatjes vallen vaak op afstand al op. De bloemen ( nou ja, bloemen) hebben honingkliertjes en maken veel stuifmeel.

 

Geen wilgen, geen bijen

De gele mannelijke katjes leveren veel stuifmeel en weinig nectar en de groene vrouwelijke katjes leveren veel nectar en geen stuifmeel. Stuifmeel is een bron van eiwit nodig voor de ontwikkeling van gezonde jonge bijen. De suikerhoudende nectar is een bron van energie voor de volwassen bijen. Sommige wilde bijen halen het voedsel voor hun larven zelfs uitsluitend van wilgen, zodat voor deze soorten geldt: geen wilgen, geen bijen. (bron:  artikel over relatie tussen wilgen en bijen van nmf Groningen )

Lees ook:

De grauwe wilg is een insectenbloeier 

De knotwilg als ecosysteem 

Knotbomen

 

 

 

Geplaatst in Flora | Getagd , | Een reactie plaatsen

Water : er valt veel te kiezen !

Juli 2018 -Drempel in de Reest staat bijna droog

De droge zomer van 2018 heeft ons wakker geschud. De aanwezigheid van water is geen zekerheid meer. Weken achtereen zonder een drup regen!  Dalende grondwaterstanden  met grote gevolgen voor landbouw en natuur . Droogvallende beken en rivieren. On-Nederlandse taferelen ! We zijn een half jaar verder. Ondanks de regen van de afgelopen dagen is de situatie op de (hogere) zandgronden nog lang niet hersteld. Voor het groeiseizoen begint moet daar nog veel meer regen vallen. In andere lager gelegen delen in ons land gaat het de goede kant op.

Afvoeren of vasthouden ?

Volle regenmeter

Met regenwater kun je twee dingen doen. Snel afvoeren ( daar zijn de Waterschappen nog steeds heel erg bedreven in, nergens lees je dat ze nu buffers aanleggen) of proberen om het vast te houden. Het veranderende klimaat wordt steeds extremer. Uitzonderlijk droogte, de warmste februarimaand, superstormen, extreme regenval in korte tijd. Het is allemaal mogelijk.

In de afgelopen jaren hebben de Waterschappen zich voorbereid op extreme neerslagperioden. Beekdalsystemen werden hersteld, rivieren kregen meer ruimte, waterbergingsgebieden aangelegd. Dit alles leverde veel op : meanderende beken en rivieren, herstel van kleinschalige landschappen, verbetering van de biodiversiteit en meer mogelijkheden voor recreatie. Na de zomer van 2018 is duidelijk, dat de Waterschappen niet alleen een antwoord moeten hebben op wateroverlast, maar ook op een watertekort. Een waterbergingsgebied gebruiken als buffer om in tijden van grote droogte water op te slaan, wie had dat ooit gedacht ? De vraag alleen is of dit ooit gebeurt.

De Regge kreeg haar meanders weer terug

Wat doen waterschappen ?

Waterschappen in Nederland zorgen voor de waterhuishouding. Ze zorgen voor het beheer van dijken en sluizen, de juiste waterstand en voor zuivering van afvalwater. Op de website waterschappen.nl vind je maar liefst negen taken waar het waterschap zich mee bezighoudt. Er zijn 21 waterschappen in Nederland. Dat waren er in het verleden veel meer. Elk waterschap heeft een gekozen algemeen bestuur en een dagelijks bestuur. Beide besturen worden voorgezeten door een dijkgraaf of watergraaf.

nat Reestdal op Landgoed de Havixhorst

Het leeft niet 

Vraag tien willekeurige Nederlanders om een paar taken van het waterschap op te noemen. Bij de meesten blijft het opvallend stil :  ´Waterschap ? Ik weet wel dat ik er voor moet betalen, maar wat ze nou precies doen. Tja…´ Waterschappen doen veel werk in de luwte. Vaak staan de auto´s van het waterschap (met duidelijk herkenbaar logo en wervende tekst !) op plekken waar weinig mensen komen. Onderhoud van stuwen en gemalen, waterzuivering e.d. het zijn niet acties  die de massa bezighouden. “Wat het waterschap precies doet is voor de meeste mensen zo vanzelfsprekend, dat ze het niet eens in de gaten hebben”, vertelt een dijkgraaf uit Zuid-Holland. “Pas als we natte voeten krijgen gaat het opvallen”. Waterschappen hebben zich bovendien jarenlang gedragen als kleine koninkrijkjes, geregeerd vanuit de boerenstand. En wat te denken van de baas van het bedrijf ? De dijkgraaf.  Een afstandelijke middeleeuwse titel, die niet bepaald het ´wij-gevoel´ oproept.

Uitgedroogde grond- dit willen we niet

 

Relatie is sterk verbeterd 

De relatie tussen het waterschap en haar ingezetenen, dat is een ouderwets woord voor de bewoners van het door het waterschap beheerde gebied, is de laatste jaren verbeterd.

aanleg drempel in de Reest

Sinds 2008 houden we om de vier jaar  waterschapsverkiezingen. Vanaf dat moment kregen burgers meer inspraak. En meer informatie. Folders, programma´s op radio en tv, artikelen in de krant. Naast de traditionele partijen als CDA en VVD, die vaak alleen maar oog hadden voor het belang van de boeren, bestond nu ook de mogelijkheid om een stem uit te brengen op burgers met meer oog voor natuur en landschap. Een voorbeeld hiervan is de partij Water Natuurlijk. Wat waterschappen steeds beter gaan doen is zich profileren via website en sociale media. Op elke website vind je bijvoorbeeld een overzicht van projecten in de regio. Er is ook veel meer aandacht voor de combinatie tussen water, natuur en landschap. Dat is een goede zaak.

werkgebied Vechtstromen

Twee waterschappen

Voor het Reestdal en omgeving spelen twee waterschappen een belangrijke rol. Dat zijn het waterschap Vechtstromen en het waterschap Drents Overijsselse Delta. De inwoners van de gemeente Hardenberg stemmen op kandidaten van deze twee waterschappen. De Reest valt onder het beheer van Drents Overijsselse Delta. Het werkgebied van deze organisatie is erg groot en ligt in de provincies Drenthe

werkgebied Drents Overijsselse Delta

en Overijssel. Ten zuiden van IJhorst gaat dit waterschap hier binnenkort beginnen met een groot natuurherstelproject in De Vledders.  Op de website vind je hier veel informatie over. Waterschap Vechtstromen beheert Zuidoost Drenthe en Noordoost Overijssel/Twente. Drie belangrijke rivieren/beken zijn hier de Vecht, de Regge en veel Twentse beken, zoals de Dinkel.

Weet je niet wat of wie je moet stemmen ? 

Beide waterschappen hebben op hun website een stemwijzer die je misschien helpt om je stem uit te brengen. Het allerbelangrijkste is natuurlijk dat je gaat stemmen.

Stemwijzer Drents Overijsselse Delta 

Stemhulp Vechtstromen

 

 

 

Geplaatst in Algemeen | Een reactie plaatsen

De witte sleedoorn kondigt de lente aan

Na de hazelaar gaan sleedoorn,els, wilg, es en populier bloeien. De sleedoorn spant hier de kroon, want die bloeit erg opvallend. Honderden kleine witte bloemen vind je aan deze struik ( of is het een boom? ).De sleedoorn bloeit voordat de bladeren verschijnen. Wandelen of fietsend door het kleinschalig landschap vallen de sleedoorns direct op.

Sleedoorn heeft puntige doorns

Haag

Net als de meidoorn werd deze struik vroeger geplant in hagen, die moesten dienen als veekering of om een eigen stukje grond af te palen. In boerenhagen werden ook soorten als hazelaar en hondsroos geplant. Zo’n gemengde haag werd dan ondoordringbaar. Daar zorgden de lastige doornachtige takken van meidoorn en sleedoorn wel voor. De komst van prikkeldraad maakte deze groene afrasteringen overbodig. Honderden kilometers aan sleedoorn- en meidoornhagen verdwenen. Zoals zoveel……

UiItbundige bloei van de sleedoorn

Opnieuw aangeplant

Voor vogels is een haag met een grote variatie aan struiken belangrijk.

sleedoorn bloesem in de knop

Er kan veilig in worden genesteld. In de nazomer barst het er van allerlei eetbare vruchten en zaden. Tegenwoordig planten organisaties als Landschap Overijssel en Het Drents Landschap houtsingels op plekken waar ze ooit hebben gestaan. Het plantgoed bestaat dan uit typische inheemse bomen en struiken als bijvoorbeeld  Gelderse roos, hondsroos, hazelaar, eik, meidoorn,sleedoorn en vogelkers.De sleedoorn bloeit in maart/april. De witte bloemen staan vaak in groepjes bij elkaar.Ze hebben vijf kroonbladen. De sleedoorn laat zich mooi fotograferen tegen een strak blauwe lucht. Het contrast tussen de witte bloemen en de blauwe lucht is dan een lust voor het oog. In het vroege voorjaar valt de sleedoorn gauw op. Er is geen inheemse boom, die op hetzelfde moment net zo mooi bloeit als de sleedoorn. De meidoorn bloeit later. Bloeiende krentenbomen zijn ook wit, maar het wit van de sleedoorn is intenser.

Eitje sleedoornpage foto: Vroege Vogels

Sleedoornpage

De sleedoornpage is in ons land een zeldzame vlinder, die een sleedoorn  zoekt om er eitjes op te leggen. De vlinder heeft het moeilijk omdat veel landschapselementen als houtwallen, houtsingels en heggen verdwenen zijn. De eitjes worden in de oksel van een tak gelegd. In april komen ze uit. De rupsen eten de blaadjes die dan uitkomen. Er zijn vlinderwerkgroepen die in de winter op zoek gaan naar eitjes in sleedoornstruweel. De vindplaatsen worden dan gemarkeerd. Bij het onderhoud van een houtwal weten de beheerders dan precies welke takken ze niet moeten snoeien. Het is een erg secuur werkje dat zoeken , want de eitje meten slechts 1 tot 2 millimeter !

sleedoorn in houtwal

 

 

 

Geplaatst in Flora | Getagd , | 1 reactie

Het oude cultuurlandschap kan niet zonder vrijwilligers

Maak in deze tijd van het jaar een tochtje door het Reestdal en je ziet het op veel plekken: stapels brandhout klaar om opgehaald te worden. De werkplek is vaak een klein bosje. Of een houtwal. Van die kleine solitaire hakhoutbosjes zijn er gelukkig nog genoeg. Vroeger hoorden ze bij de bedrijfsvoering van de boer. Uit de bosjes werd veel geriefhout gehaald. Hout dat gebruikt werd voor het maken van afrasteringpalen (rikkepalen) , voor gereedschap en bouwmateriaal, maar ook voor het stoken van de oven of de kachel.  Eikenhakhout leverde vroeger ook een grondstof voor het looien van leer. (run) De grootte van de bosjes varieert nogal, ze zijn soms erg klein met een oppervlakte van nog geen 200 m2, de meeste bosjes zijn niet groter dan 2500 m2.

Eigendom van provinciale landschappen

Kenmerkende boomsoorten op de zandgronden zijn eik ,els en berk. Tegenwoordig wordt het hout vooral gebruikt als brandhout. De stammetjes van eiken worden ook nog wel eens gebruikt om er rikkepalen van te maken.Veel geriefhoutbosjes in het Reestdal  zijn eigendom van Landschap Overijssel of Het Drentse Landschap, maar er zijn ook particulieren die kleine bosjes in bezit hebben. Voor advies over hakhoutbeheer kunnen zij gebruik maken van organisaties als Groene en Blauwe Diensten . Hout wordt “op stam” verkocht.

Vrijwilligerswerk 

Net als hakhoutbosjes moeten ook houtwallen en houtsingels om de zoveel tijd worden afgezet. De werkgroep landschapsbeheer van de natuurwerkgroep de Reest heeft op dit gebied inmiddels een schat aan ervaring opgebouwd. In overleg met beheerder Landschap Overijssel wordt iedere winter altijd wel ergens in het Reestdal een houtwal of houtsingel onder handen genomen. Er wordt altijd gewerkt met handgereedschap. Beugelzagen of trekzagen doen het werk. Net als hakhoutbosjes leverden houtwallen vroeger geriefhout voor de boer op. Het afzetten gebeurde om de tien tot vijftien jaar. In het moderne agrarische landschap zijn veel van dit soort landschapselementen opgeruimd. Ze pasten niet in de moderne agrarische bedrijfsvoering. Dit is een van de oorzaken van de enorme terugval in biodiversiteit in het grootschalige boerenland.

Vrijwilligers aan het werk in een houtwal

Hakhoutbosjes op wandelroute

Tijdens een wandelroute bij boerderij ’t Endeloop je aan de Overijsselse kant langs een

Stobben lopen weer uit

strook geriefhout. Aan de stobben is te zien, dat de bomen ooit zijn afgezet. Een boom die tot op de grond wordt omgezaagd loopt namelijk met meerdere stammetjes uit. Het bosje wordt dan wat dichter en na een jaar of tien kan er weer geoogst worden. Stobben worden ook wel strubben genoemd. Het mooiste Strubbenbos in ons land vind je in de omgeving van het Drentse Anloo, in het esdorpenlandschap van de Drentsche Aa. Hakhoutbosjes moeten worden beheerd, willen ze hun functie behouden.

Strubbenbos bij Anloo

Zijn ze er straks nog ? 

Voor het in stand houden van ons oude cultuurlandschap zijn vrijwilligers nodig. Natuurbeheerders en vaak ook particulieren kunnen het niet alleen af.  Zijn die vrijwilligers er  straks nog ? Veel jongeren hebben geen tijd voor vrijwilligerswerk of kennen het begrip niet of nauwelijks. De wat oudere generatie moet steeds langer doorwerken. En de vele pensionado´s van nu gooien over een poosje ook het bijltje er bij neer. Gaat dat goed komen ?

Oud cultuurlandschap bij De wijk

Op de foto hierboven zie je het oude en kleinschalige cultuurlandschap bij De Wijk. Landgoederen, bosjes, houtwallen en houtsingels. Allemaal ontstaan door mensenhanden. Maar die handen zijn nu nodig om het landschap mooi te houden.

 

 

Geplaatst in Boerderijen, kleinschalig landschap, landschapselementen | Getagd , , , | Een reactie plaatsen

Met de ooievaar gaat het goed

Het gaat goed met de ooievaars in Nederland. Dagblad Trouw kwam op vrijdag 1 maart met een artikel  over de comeback van de ooievaar in ons landschap. Eindelijk eens een verhaal over een vogel  waar het wel goed mee gaat. Oorzaak van de redding van de ooievaar ? Zijn populariteit en de bijzondere band met de mens. Natuurlijk kennen we de mythe van de ooievaar als babybrenger. In ander landen is dat bijgeloof ook aanwezig.  In Bulgarije, zo vermeldt het artikel, geven de mensen elkaar met de jaarwisseling een armbandje dat pas af mag bij het zien van de eerste ooievaar. De  ooievaar is een echte mensenvogel. Plaatstrouw en monogaam, twee eigenschappen die het in de mensenwereld goed doen. De vogel profiteert ook van de mens. Broeden op hoogspanningsmasten, schoorstenen of paalnesten, uitkijken vanaf lantarenpalen en zoeken naar voedsel  achter de machine aan als de boer het gras maait.

Niet alle ooievaars trekken 

Tijdens de jaarlijks wintertelling in januari 2019 werden meer dan 500 ooievaars in ons land geteld. Iets meer dan 100 werden waargenomen in het Reestdal. Oudere ooievaars bleven altijd al vaak hangen, omdat ze gewend waren om gevoerd te worden. De jonge ooievaars trekken bijna allemaal naar het zuiden. In zachte winters eten de blijvers vaak wormen, muizen en mollen . Of worden nog bijgevoerd.

Niet meer op de Rode Lijst 

In 2009 werd de ooievaar van de Rode Lijst gehaald.  ( lijst met bedreigde vogelsoorten) Inmiddels vliegen er in het broedseizoen rond de 2000 ooievaars in ons land. Dat is een ander getal dan de twintig die we in de jaren´60 nog hadden. Toen was het zien van een ooievaar een bijzondere  gebeurtenis !   In 1969 startte een herintroductieprogramma . Er kwamen 12 ooievaarsbuitenstations door het hele land. Moederstation ´Het Liesvelt´bij Groot Ammers fokte en verzorgde ooievaars in gevangenschap. Een deel van die ooievaars werd vervolgens uitgezet bij buitenstations, waar het voeren en verzorgen langzaam werd afgebouwd. Uiteindelijk moesten de ooievaars  zich zonder mensenhulp zien te redden. Zo ver zijn we nu al een poosje. Een aantal stations is nu gesloten. De anderen zijn nog open om ooievaars te blijven volgen en om informatie te verzamelen.

Link naar het artikel. 

artikel uit Trouw vrijdag 1 maart 2019

Geplaatst in Fauna | Een reactie plaatsen

Pollenfabriek zwarte els houdt van natte plekken

De zwarte els produceert enorme hoeveelheden stuifmeel

Silhouet takken zwarte els in de winter

Als één boom in de wintermaanden makkelijk te herkennen is, dan is het wel de zwarte els. Het silhouet wordt namelijk bepaald door de aanwezigheid van honderden zwarte elzenproppen, de vrouwelijke katjes van vorig jaar. En als je wat dichterbij komt vallen de paars gekleurde knoppen op.

 

 

Eenhuizig

Elzen zijn eenhuizig. Dat wil zeggen, dat de boom mannelijke én vrouwelijke bloemen

mannelijke meeldraadkatjes zwarte els

draagt. De bloemen worden katjes genoemd. Het zijn windbloemen en ze vallen niet echt op. Lekker ruiken doen ze ook al niet, insecten vliegen er aan voorbij. De mannelijke katjes, lange gele “snottebellen” , produceren enorme hoeveelheden stuifmeel. Schud aan een elzentak met rijpe meeldraadkatjes en je ziet het. Wolken geel poeder vliegt je om de oren. De vrouwelijk bloemen (stamperkatjes) vallen helemaal niet op. Het zijn ovaalronde

Stuifmeel op de schubben van de vrouwelijke elzenkatjes

rode knopjes die uit kleine schubben bestaan. Het stuifmeel van de meeldraadkatjes moet tussen deze schubben terechtkomen. Als de stamperkatjes bestoven en bevrucht zijn veranderen ze in groene kegeltjes. Het jaar erop zijn ze rijp en bruin/zwart van kleur. Ze worden dan elzenproppen genoemd.

 

Stuifmeel

In de plantenwereld wordt stuifmeel op verschillende manieren verspreid. Insecten doen

Pollenkorrels zwarte els ( bron : www.vcbio.science.ru.nl )

dit, de wind natuurlijk en er zijn ook planten die de pollen via het water kwijt raken. De zwarte els is een windbloeier. Net als de berk en de hazelaar. De bloei komt vroeg als de boom nog niet in het blad staat. Logisch, de wind moet de katjes goed kunnen bereiken. Typische kenmerken van windbloeiers zijn verder de vrij onopvallende bloei, enorme stuifmeelproductie, geen of heel weinig nectar, relatief lichte pollenkorrels.

Het oppervlak van de pollenkorrels bij de zwarte els is lichtgolvend met goed zichtbare, kleine uitsteekseltjes die soms ribbels lijken te vormen. De kleur van het pollen is lichtgeel.  (bron : www.vcbio.science.ru )

 Knoppen

Aan het blad herkent men de boom. Dat is waar, maar vergeet de knoppen niet. Er zijn veel bomen en struiken met karakteristieke knoppen. Denk maar aan de paardenkastanje met zijn kleverige grote bruine knoppen of de zwarte knoppen van de es. De eironde elzenknoppen zijn prachtig paars van kleur en ze staan op kleine steeltjes. Vooral in de maanden februari en maart, net voordat ze openbarsten, zijn ze goed te zien.

Hout

Het hout van de zwarte els is niet erg duurzaam, daar is het te zacht voor. Onder water en afgesloten van zuurstof is elzenhout wel in staat om lang goed te blijven. Het heeft ook een bijzonder eigenschap. Als het hout in aanraking komt met de buitenlucht verandert het sterk van kleur. Het blanke hout krijgt dan een oranjerode kleur. De oorzaak van die kleurverandering is niet helemaal duidelijk. Er wordt beweerd dat koolmonoxide de oorzaak hier van is. De rode kleur van gezaagd elzenhout heeft altijd tot de verbeelding van de mens gesproken, want er zijn vele sagen en legendes over gemaakt. Bijgeloof viert hier hoogtij. Zo zou een bloedende els een kwade geest herbergen. Tijdens de Middeleeuwen was het kappen van elzen in Ierland verboden.

Zwarte els op een mooie esrand bij Rabbinge

Elzensingels en moerasbosjes

Moerasbos

In het Reestdal tref je op verschillende locaties elzensingels aan. Vaak langs sloten of langs graslanden en akkers. Vroeger werden elzensingels geplant als windsingels of om er brandhout of geriefhout uit te halen. In dat geval werden de elzen tot op de grond afgezet. Dat gebeurde om de acht tot tien jaar. Na het omzagen groeiden de elzen dan weer opnieuw uit. Zwarte elzen tref je ook in kleine natte bosperceeltjes aan. Moerasbosjes kwamen vroeger veel voor op de flanken van een beekdal.

Elzensingellandschap als erfgoed

Een gebied, waar je mooie elzensingels kunt zien is de omgeving van Staphorst en Rouveen. Toen dit gebied nog niet door ruilverkavelingen was verknald stonden hier duizenden elzen. Kilometers lange singels bepaalden het landschap. Daar is veel van verdwenen. Gelukkig ziet men nu de waarde van dit oude cultuurlandschap in. De Vereniging Nederlands Cultuurlandschap ziet dit landschap zelfs het liefst op de lijst van de Unesco.  In 2010 startte een project van de Provincie Overijssel i.s.m. netwerkbeheerder Tennet, de gemeente Staphorst en andere organisaties om het oude cultuurlandschap in de omgeving van Rouveen (o.a. langs de A28) een beetje de glans te geven van vroeger. Uiteindelijk moet zo’n 50 kilometer aan elzensingels worden hersteld of geplant. Tennet speelt hierin een rol als “goedmaker”, omdat een hoogspanningskabel die het Reestdal doorkruist niet werd verwijderd.

Meer lezen ? 

Een boeiend artikel over windbestuiving

Over de drie manieren waarop stuifmeel wordt verspreid

Informatie over de zwarte els op website Flora van Nederland

Last van pollenallergie ?  Kijk op de Hooikoortsradar voor de meest actuele info.

Over elzensingels in ons land

 

 

Geplaatst in Flora | Getagd , , | 1 reactie

Galanthofilie in de tuin van Dickninge

Massale bloei sneeuwklokjes in de tuin van Dickninge

Tegenwoordig is bijna alles wat op -ofilie eindigt een beladen begrip. Met een galanthofiel is niet zo veel aan de hand. Die houdt vooral van sneeuwklokjes. Galanthus betekent melkwitte bloem. Bedacht door Linnaeus in de 18e eeuw. In Engeland noemen ze de plant snowdrops. Ook leuk bedacht. Sneeuwklokjes zijn stinzenplanten. Planten die vroeger zijn ingevoerd (vaak bol-en knolgewassen) om tuinen van deftige huizen en landgoederen te verfraaien. In de tuinen van landgoed Dickninge staan de snowdrops in februari bij honderden in bloei. Het zijn de voorlopers van andere stinzenplanten, zoals de holwortel, want die kleurt in april de tuinen wit en rose.

 

Landgoed Dickninge ligt even buiten De Wijk en leent zich prima voor een korte wandeling.

Meer lezen over sneeuwklokjes ? 

Het sneeuwklokje is een stinzenplant 

Hoe sneeuwklokjes ooit op Texel belandden ? Klik hier: http://www.trouw.nl/tr/nl/4932/Tuinrubriek/article/detail/3188628/2012/02/19/Hoe-komt-het-sneeuwklokje-op-Texel-terecht.dhtml

Informatie op Flora van Nederland 

Filmpje over het vermeerderen van sneeuwklokjes

Geplaatst in De mooiste plekjes, Flora | Getagd | Een reactie plaatsen

De klapekster : slimme slachter op de uitkijk

klapekster op de uitkijk

Dertig jaar geleden begon Koos van Zomeren over de natuur te schrijven. Zijn oeuvre is omvangrijk en in erg veel van zijn boeken staan natuur, landschap, flora en fauna centraal. In 2014 verscheen een opvallend boekje: Het verlangen naar de klapekster. De schrijver woont in Arnhem en wandelt heel vaak met de hond door bos en hei. Al gauw is Koos in de ban van de klapekster. Gedurende vier winters noteert hij alle waarnemingen van klapeksters. En daar blijft het niet bij. Hij zoekt contact met ornithologen en andere vogelaars die allemaal dezelfde passie voor de vogel hebben als hij. Wat maakt een klapekster zo bijzonder ? En hoe komt het dat deze wintergast bij de meeste mensen zo onbekend is ? Een prachtig boekje over deze slimme vogel met een grote persoonlijkheid. Ook ik ben een beetje besmet met het klapekstervirus. Mijn dag is helemaal goed als ik er weer eens één gezien heb. In de omgeving van het Reestdal zijn er kansen genoeg. Je moet een beetje geluk hebben en een goede verrekijker. Van afstand laat de klapekster zich namelijk goed bekijken. Maar de vogels is erg slim en is je altijd te slim af. Zo is ie weg om even later op een andere plek weer op te duiken. In dit artikel vertel ik over één van de meest aansprekende vogels die we in ons  land hebben.

klapekster met lange zwarte staat en grijze rug

Eerste kennismaking

De klapekster is geen ekster, maar een klauwier. Klauwieren zijn zangvogels met de eigenschappen van een roofvogel. Broeden doet de klapekster niet meer in ons land, maar overwinteren wel. Het favoriete biotoop is open landschap als duin en heide met ruigte en open plekken. Zit graag in top van struik, boom of op een draad. Dit gedrag maakt de klapekster op grote afstand al zichtbaar. De klapekster heeft drie belangrijke kleuren: grijs, zwart en wit. Erg mooi is de kop. Over de ogen draagt de vogel een ‘Zorromasker’, een zwarte band over de ogen. De rug is grijs, de borst wit, de staart lang en de vleugels relatief kort. Een klapekster herken je ook aan zijn vlucht: golvend en snelle vleugelslagen die afgewisseld worden door glijvluchten met ingetrokken vleugels. De snavel heeft een kort scherp haakje. De poten zijn fors met scherpe nagels , maar het zijn geen klauwen. Een klapekster kan geen prooi met zijn poten vasthouden. Dat moet ie met zijn snavel doen. Het voedsel bestaat uit muizen, kleine vogels, hagedissen en insecten. Net als zijn neef de grauwe klauwier heeft de klapekster de gewoonte om prooien aan scherpe uitsteeksels ( doorns, prikkeldraad) op te hangen.

Lanius Excubitor : De slager die de wacht houdt

Het is altijd leuk om naar de oorsprong van de vogelnaam te kijken. Het etymologisch woordenboek van de Nederlandse Vogelnamen ( Klaas J. Eigenhuis) geeft hierover veel informatie. Eerst de Nederlandse benaming : klapekster. Het woordenboek zegt hierover : ‘een duidelijk voorbeeld van een verkeerd gekozen Nederlandse naam voor een vogelsoort.’ Een tekst uit de 18eeeuw spreekt over ‘klapekster’ en bedoelt dan een ekster (

Uit etymologisch woordenboek vogelnamen

pica pica) die heeft leren praten. Het werkwoord klappen betekent immers praten. In het gezegde ‘Uit de school klappen’ zie je dit terug. Vroeger gebruikte men het spreekwoord  ‘Hij klapt als een Aekster’. De naam klapekster is in de loop van de tijd overgegaan op een heel andere niet verwante soort. Een beetje verklaarbaar is het wel, want  zowel de ekster als de klapekster zijn bont en hebben een lange staart. Maar daar houdt de gelijkenis dan wel mee op.

De klapekster heeft nog een andere naam : de Wachter. Vroeger werd deze volksnaam gebruikt door valkeniers. De naam moet je zien als ‘hij die de wacht houdt, waakzaam is en scherp waarneemt’. ( etymologisch woordenboek Nederlandse vogelnamen) Valkeniers gebruikten de opmerkzaamheid van een gevangen klapekster om wilde roofvogels te ontdekken. Ook wordt beweerd dat Linnaeus de naam Excubitor ( wachter) gebruikte omdat de klapekster andere vogels waarschuwt bij het zien van roofvogels door dan luid te gaan krijsen. Toch wel vreemd, want klapeksters zijn nogal zwijgzaam. Bovendien vangt de klapekster zelf ook andere vogels.

Koos Dijksterhuis in dagblad Trouw over de klapekster

Dan nog even het Latijnse woord Lanius. Dat betekent slager of slachter. Dat is een negatief geladen woord voor zo’n mooie vogel. Heb je wel eens een klapekster in je verrekijker gehad ? Daar kun je alleen maar van genieten. Dan wil je het woord slachter niet horen. Toch moeten we wel realistisch blijven. Hoe mooi de vogel ook is, het is een rover. Kleine vogels, muizen, reptielen en insecten, met een Lanius Excubitor op de uitkijk ben je als heidebewoner je leven niet zeker. En half dood opgeprikt worden in een meidoorn, braam ,of nog erger in het prikkeldraad,  is ook geen lolletje.

Wintergast

De klapekster wil niet meer in ons land broeden. Sinds een jaar of twintig moeten we hem in de zomerperiode missen. Het Hulshorsterzand op de Veluwe wordt genoemd als laatste plek waar een broedsel (van drie jongen) uitvloog. Ooit broedden er honderden paren klapeksters in ons land, maar het landschap zag er toen heel anders uit: veel woeste gronden van heide en venen, kleinschalig landschap met veel ruigte en onbenutte hoekjes, veel stille natuur, niet dat nette aangeharkte landschap met hier en daar nog wat natuur, zoals het Nederland van de 21e eeuw. Om zich voort te planten zoeken de klapeksters het liever hoger op, in Zweden, Finland of Polen. In de winter wordt het vinden van prooidieren daar een lastig verhaal en besluiten ze om wat naar het zuiden af te zakken. Gemiddeld blijven zo’n 300 tot 400 klapeksters bij ons in de periode november tot en met maart.  Er zijn goede ( 400-600) en slechte ( 150-300) klapeksterjaren. Dit heeft waarschijnlijk  te maken met broedresultaten in het noorden. Klapeksters hebben voorkeur voor natuurlijke landschappen als heidevelden, hoogvenen, moerasgebieden, kapvlaktes, zandverstuivingen, duinen en kleinschalig cultuurland.

Klapekster in winterzonnetje

Winterterritorium

De klapekster heeft een eigen territorium.  Je ziet de vogels dus vaak in zijn eentje. Soortgenoten jaagt ie weg. Die moeten maar een ander gebied zoeken. In de 1000 ha grote Engbertsdijksvenen ( hoogveengebied bij Kloosterhaar) komen meestal maximaal 5 klapeksters voor.(Twentse Vogelwerkgroep) Onderzoek toonde aan, dat het territorium van een klapekster heel groot is. Het kan variëren van 50 tot 250 ha, soms zelfs nog groter. Binnen dit gebied heeft de klapekster dan een aantal kleinere kernen waar hij actief is en op zoek gaat naar voedsel. Dat verklaart ook het onvoorspelbare gedrag van de vogel. Zie je bijvoorbeeld drie dagen achter elkaar een klapekster op hetzelfde heideterrein, kijk dan niet vreemd op dat hij daarna spoorloos verdwenen is. De klapekster op Takkenhoogte bijvoorbeeld zit een dag later misschien een week op het Nolderveld om daarna de heide van de Wildenberg te bezoeken. En wie weet waar hij allemaal nog zit. Dat wispelturige en geheimzinnige gedrag  maakt het moment dat je hem weer ziet altijd bijzonder !

klapekster met prooi

Voedsel

De klapekster is een opportunist en eet prooidieren die het meest in zijn biotoop voorkomen. Op droge heiden en stuifzanden worden vaak mestkevers gevangen, in nattere gebieden zoals hoogvenen zijn dat vooral muizen. In het vroege voorjaar, de meeste klapeksters vertrekken pas in april, staan veel levendbarende hagedissen op het menu. In hoogvenen, zoals de Engbertsdijksvenen worden ook heikikkers gegeten.  Kleine zangvogels zoals mezen en vinken worden ook gegeten. Zoals eerder vermeld is een klapekster niet goed in staat om prooi in zijn poten mee te nemen. Dat moet ie met zijn snavel doen. Het haakje aan zijn snavel zal hem daarbij helpen. Meestal wordt een prooi snel op gegeten. Op koude winterdagen heeft de vogel veel energie nodig. Men heeft ontdekt dat in de namiddag, vlak voor de avond valt,  grotere prooien (muizen) worden gegeten. Zo’n lekker hapje kan dan ook uit de ‘voorraadkast’ komen. Net als neefje grauwe klauwier legt de klapekster vaak een voorraadje aan van prooien die hij op scherpe takken of doorns spietst.

Archemermaten: in de winter de klapekster ,in de zomer de grauwe klauwier

Om een idee te geven wat een klapekster zoal naar binnen werkt volgt hier een fragment uit het boekje ‘Het verlangen naar klapekster’ Koos van Zomeren. Het gaat over het gedrag van één klapekster in het Gooi waargenomen op 28 maart in 2012 : ….’de van der Poels ( onderzoekers) hebben van de ochtend tot de avond hun klapekster in de gaten gehouden, speciaal om wat hij teweeg bracht in de plaatselijke populatie levendbarende hagedissen. Hij bleek de dag te beginnen met het verorberen van twee gehangen hagedissen van de vorige dag. In vervolg daarop werden er die dag in totaal 18 gevangen, waarvan er 13 direct of na kortere tijd werden opgegeten. Vijf beesten bleven

Een klapekster pakt ook nogal eens een winterkoning

dus hangen voor later.’  In het tijdschrift Ravon plaatsten Paul en Loes van der Poel een artikel over het foerageergedrag van klapeksters. In de winter van 2009/2010 werden de gespietste of geklemde prooien van één klapekster geteld. De oogst was erg indrukwekkend: 35 insecten ( veel kevers), 26 zoogdieren ( muizensoorten), 40 vogels ( winterkoning, mees en roodborst), 38 reptielen ( levendbarende hagedissen). Doorgaans worden de prooien op een vaste plek verwerkt :  laten we het maar de slachtplaats van Lanius Excubitor noemen. We weten precies wat  klapeksters eten dankzij braakbalonderzoek. Braakballen worden gevonden onder slaapbomen.

Klapeksterbiotoop in Engbertsdijksvenen

Biotoop

Eerst maar even een paar voorbeelden landschappen waar je de klapekster niet gauw zult aantreffen : in bossen en het agrarische landschap. Een klapekster die in ons land de winter doorbrengt heeft namelijk  een paar noten op zijn zang. Het landschap moet open

klapeksters houden niet van heide die vergrast

zijn, liefst een beetje glooiend met hier en daar een boom of struik. ( als uitkijkpost en slaapboom) De vegetatie moet kort zijn met open plekken. Heide bijvoorbeeld moet niet te nat en zeker niet te hoog. Heide die sterk aan het vergassen is of bedekt met hoge en dichte planten van struikheide is bij klapeksters niet populair. Net als geplagde heide. Daar is ook niets eetbaars te vinden. Voor het vangen van kevers, muizen en hagedissen heb je open ruimtes nodig. Een onderzoek op de Veluwe kwam met een verrassende conclusie. Klapeksters houden ook van ruige akkers. Ze vangen er veel muizen.

Is er nog toekomst voor de klapekster in ons drukke landje ?

Ja, er zijn positieve ontwikkelingen. Ook negatieve trouwens. Eerst naar de goede kant van de zaak. Om het klapeksters naar de zin te maken is het herstellen van grotere heide- en hoogvenen nodig. Landschap Overijssel bijvoorbeeld is momenteel  op de Lemelerberg en bij Beerze bezig  grote oppervlakten aan bos om te zetten naar heide. Dat betekent dat er

bos maakt plaats voor heide op de Lemelerberg

meer leefruimte voor de klapekster komt. Het zal nog wel wat jaren duren voordat deze gebieden zo verruigd en gevarieerd zijn dat er genoeg voedselaanbod is, maar het zijn stappen op de goede weg. Grote grazers op de heide, zoals koeien en schapen, zorgen voor meer mestkevers . Bovendien komt er meer variatie in het landschap en neemt de biodiversiteit (lees : meer voedselaanbod zoals muizen en kleine zangvogels ) toe. De aanleg van natuur- en wildakkers en bloemrijke akkerranden is ook gunstig. De akkers worden niet geoogst en trekken in de winter veel muizen en vogels aan. Kan gunstig

grote grazers zorgen voor meer mestkevers

uitpakken voor overwinterende klapeksters, zeker als deze akkers aan de randen van heidevelden liggen. Nadelig voor klapeksters is de toename van onrust in overwinteringsgebieden. In sommige terreinen is de recreatiedruk groot en wordt de klapekster gedwongen om zich te verplaatsen. Het kan meevallen, want klapeksters laten zich ook regelmatig goed bekijken. Meestal gaan ze toch gauw op de vlucht. De achteruitgang van insecten kan ook negatief uitpakken. We weten dat de vogels veel kevers eten. Wat voor invloed dit heeft op het menu van de klapekster moeten we nog maar afwachten.

Struin met je verrekijker de vlakte af en let op de toppen van bomen en struiken

Hoe ontdek je een klapekster ?

Weet wel waar je aan begint als je op zoek gaat naar je eerste klapekster. De kans bestaat dat je bij het ontdekken van je eerste exemplaar voorgoed ‘verloren’ bent. Titels van verslagen en boeken als ‘In de ban van de klapekster’ of ‘Het verlangen naar klapekster’ zeggen genoeg. Er zijn vogelaars die niet meer normaal  een heide kunnen bezoeken. Ze móeten met de kijker de vlakte afturen op zoek naar de ene vogel in de top van een boom of struik.  Als je eenmaal door hebt hoe een typisch klapekstergebied er uit ziet, wordt de kans op een ontmoeting groter. In het Reestdal kun je een klapekster tegen komen op de heide van Takkenhoogte, Meeuwenveen en De Wildenberg. Waarschijnlijk ook in de Vledders, maar daar mag je niet komen. Net als de Archemermaten langs de Regge bij de stuw van Archem. Ook niet toegankelijk, maar wel een mooi klapeksterbiotooop.  Gelukkig kun je vanaf de randen vaak de terreinen goed overzien. Ik heb deze winter klapeksters waargenomen in de Engbertsdijksvenen, op het Dwingelderveld en op Takkenhoogte. Vorig jaar zat er ook ééntje in de Junner Koelanden. Kijk op de website vogelkijkhut.nl . Daar vind je actuele waarnemingen van klapeksters.

Neef grauwe klauwier broedt wel in ons land

Waarom broedt ie hier niet meer ?

Het antwoord op deze vraag is lastig te geven. De grauwe klauwier, qua gedrag en voedselkeuze lijkend op zijn neef klapekster, broedt wel in ons land. Sterker nog, het gaat steeds beter met deze vogel. Hij voelt zich thuis in typische klapeksterbiotopen, houdt ook van open terrein met veel variatie en struwelen. Eet ook insecten, muizen, reptielen, vogels, dus klapekster : wat let je ? In 1999 de laatste klapekster broedende klapekster in ons land , een come-back van deze prachtige vogel zou erg mooi zijn.

Gebruikte bronnen :

Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen – Klaas J.Eigenhuis

Vogels van Europa- Lars Jonsson

Het verlangen naar klapekster- Koos van Zomeren

Vogelatlas van Nederland -Sovon uitgave 2018

Kwartaalblad 67 Het Drentse Landschap

Sovon

Eigen waarnemingen

Informatieve links :

- Over het onderzoek van Paul  van der Poel in de winter van 2010/2011

- Over Groningse klapeksters in 2016 

- Over de conditie,dieet en plaatstrouw van klapeksters op de Veluwe en de         Engbertsdijksvenen

- Over aantallen en verspreiding in Nederland

- Algemene informatie over de klapekster van Vogelbescherming 

- Mooi filmpje op  YouTube

- Youri in de ban van de klapekster op YouTube

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Geplaatst in Fauna | Getagd , , , , , | Een reactie plaatsen