De waterviolier staat graag in slootjes met kwel

Waterviolier in slootje op landgoed De Havixhorst

In het late voorjaar kleuren slootjes wit van de massaal bloeiende waterviolieren. Toch zul je dit mooie plantje niet op veel plekken aantreffen, want Hottonia palustris heeft nogal wat noten op zijn zang. Zijn voorkeur gaat uit naar ondiep, zoet en niet te voedselrijk water. Het moet ook rijk aan CO2 zijn, want de bladeren die zich onder water bevinden hebben dit koolzuurgas nodig bij de fotosynthese, het proces waarbij glucose en zuurstof

De bloeistengel van de waterviolier

wordt aangemaakt.. In stilstaand water is het Co2 gehalte meestal aan de lage kant, behalve op plekken waar kwelwater naar boven komt. Kwel is vaak zuurstofarm, maar rijk aan koolstofdioxide. Kwel passeert namelijk veenresten in afbraak en bij dit proces komt CO2 vrij. Waterviolier wordt een kwelindicator genoemd, hieronder verstaan we een plant die aangeeft dat op de betreffende locatie sprake is van de aanwezigheid van kwel. Andere bekende kwelliefhebbers zijn wateraardbei, waterdrieblad en holpijp. Waterviolier wordt ook wel als zuurstofplant voor vijvers verkocht.

Bloeistengel

Opvallend aan de waterviolier is de bladloze bloemsteel die ver boven het water uitsteekt. De bladeren bevinden zich onder water. De bloemsteel wordt door de bladeren in balans gehouden. De vijftalige bloemen staan in kransen die boven elkaar staan. Ze zijn een beetje naar boven gericht. De bloemkroon is lichtlila tot wit van kleur. De bloemen maken nectar aan en trekken veel bijen zweefvliegen. Een sloot vol met waterviolier is een prachtig gezicht!

Ook holpijp is een indicator voor kwel

 

Geplaatst in Flora | Getagd , | Een reactie plaatsen

Nieuwe kansen voor boekweit : eerst graan voor de armen en nu populaire bijenplant

Bloeiende boekweit trekt veel insecten

Ook zo begaan met de achteruitgang van de biodiversiteit in ons land ? Of met het verdwijnen van talloze insectensoorten ?  Heb je zin om hier iets aan te doen, ook al is je bijdrage erg klein? Heb je een tuin ? Misschien een groentetuin? Of nog mooier:  een heleboel ruimte om je huis ? Dan ligt hier je kans !  Zaai boekweit op een plekje waar je toch niet zoveel mee doet. Nu de kans op nachtvorst voorbij is, doe je de insectenwereld een groot plezier door dit rijk bloeiende gewas te zaaien. Boekweit is niet overal te koop, maar een beetje online rondkijken en je kunt het zo bestellen.

boekweit zaadjes op de hand

Boekweit werd vroeger veel verbouwd 

Dit artikel gaat over een gewas, dat een beetje aan een come-back bezig is boekweit. De wetenschappelijke naam is Fagopyrum, letterlijk vertaald: beuktarwe. In het Nederlands wordt tarwe ook wel weit genoemd. Dan is de naam boekweit snel verklaard.

Boekweit

 De boekweit en de linde bloeien

Waardoor de nectarbronnen vloeien,

Zoodat de kleine honingbij,

Nu vrolijk, ongestoord en vrij,

Terwijl ’t een lustig liedje zingt

Uit al die kleine kelkjes drinkt,

Om al die raten mee te vullen…..

Dit gedichtje uit 1926 van H. van Laar maakt duidelijk, dat in die tijd boekweit nog een veel voorkomend gewas geweest moet zijn. In het midden van de 19e eeuw besloeg boekweit 8% van het landbouwareaal in ons land. In een reisverslag uit 1842 wordt een beschrijving van het landschap in de omgeving van Hardenberg en Uelsen gegeven:”Afwisseling van allerlei kleuren,golvende korenakkers,sneeuwwitte boekweitvelden,weidelanden,bosschen…………..” Boekweit heeft in het verleden dus een grote populariteit gekend.

Akker met boekweit bij molen Balkbrug

Boekweithoning 

Voor de “gewone”boeren was boekweit een uitkomst. Het gewas was makkelijk te verbouwen, als alles meezat. Het leverde meel op, dat geschikt was om er pap en pannenkoeken van te maken. Bovendien waren de bloemen erg rijk aan nectar en dat leverde boekweithoning op. Na de tweede wereldoorlog verdween het gewas snel van het toneel. Doordat de opbrengst van graangewassen als tarwe en rogge snel steeg, ging het met de boekweitteelt in ons snel bergafwaarts.

boekweit heeft rode stengels

De plant

Boekweit is geen graan. De plant hoort bij de familie van de duizendknoopfamilie, net als perzikkruid en varkensgras. Het is een eenjarig gewas met een holle rechtopgaande rode stengel,  die zich sterk kan vertakken. De bladeren zijn hartvormig. De wortel is een penwortel. De bloemen zijn wit tot roze en zitten in groepjes bijeen. Ze bevatten veel nectar en trekken daardoor veel insecten aan.

Boekweit in bloei in het Reestdal

Boekweit wordt gezaaid als de kans op nachtvorst voorbij is. De bloei kan al zes weken na het zaaien beginnen. De eetbare zaadjes zitten aan dunne steeltjes,die als ze rijp zijn, gauw loslaten. De vorm van de zaadjes lijkt erg op beukennootjes. Producten, gemaakt van boekweitzaden bevatten geen gluten. De plant voelt zich erg goed thuis op niet of matig bemeste losse grond. Omdat de plant een penwortel vormt moet de bouwvoor goed losgemaakt worden. Dat gaat tegenwoordig natuurlijk machinaal en heel makkelijk,  vroeger moest er op de akker flink diep geploegd worden. “Boekweit wordt verbouwd op paardenzweet” schijnt een veelgehoord spreuk te zijn geweest. Boekweit heeft een groeiperiode van ongeveer 3 maanden en is erg kwetsbaar.De plant is gevoelig voor nachtvorst, harde wind en slagregens of hagel. Er gingen in de vorige eeuw dan ook veel oogsten verloren. Boekweit werd toen ook wel “Jammerkoren” genoemd.

 Teelt

Grote delen van noordoost Overijssel bestonden ooit uit zandgrond en hoogveen. Niet erg geschikt om er te wonen, want zandgrond was niet vruchtbaar en op het hoogveen kon je niets verbouwen. Het enige gewas, dat nog wat mogelijkheden had was boekweit. In het hoogveen werden greppels gegraven om het veen te ontwateren. Het materiaal uit de slootjes werd dan op de tussenliggende stroken gegooid en op een gunstig moment in de brand gestoken. Dit gebeurde na de winter in de periode van maart tot mei als de bovenlaag genoeg was ingedroogd. Er zijn historische bronnen, die melding maken van enorme rookwolken,die zo heftig waren,dat ze in de omgeving de zon verduisterden. Als de bovenste laag van het veen was verbrand en afgekoeld werd er boekweit in de vruchtbare as gezaaid. Toen het hoogveen in ons land verdween, bleef er van de boekweitteelt niet veel meer over, hoewel er ook op de hogere zandgronden nog wel boekweit werd verbouwd.

Toepassing in de keuken

Boekweitproducten werden vooral in de armere streken van ons land gebruikt bij het bereiden van gerechten. Van de gepelde zaadjes (de grutten) kon je pap maken. De grutten werden geweekt, gekookt en gecombineerd met karnemelk. Boekweitmeel was niet geschikt om er brood van te bakken, maar je kon het wel toevoegen aan tarwemeel. Het meel werd vaak gebruikt om er lekkere pannenkoeken van te bakken, maar dan ook weer in combinatie met rogge- of tarwemeel. Boekweitmeel bevat geen gluten. Het werd ook gebruikt om balkenbrij en andere vleeswaren mee aan te vullen. Dan ging het vaak om kwalitatief minder vlees, zoals de kop of andere organen. Tegenwoordig zijn er nog steeds boekweitproducten te koop, op het internet is hier veel informatie over te vinden. Zo zijn er bedrijven die glutenvrije boekweitproducten leveren onder het SKAL keurmerk.(zemelen,grutten,meel,e.d.)Boekweitzaden worden ook in vogelvoer verwerkt.

Zaailingen van boekweit

Gezond

Eiwitten in onze voeding leveren belangrijke bouwstoffen voor het menselijk lichaam. Een eiwit is opgebouwd uit een groot aantal aminozuren, waarvan speciaal het aminozuur lysine de groei en instandhouding van het lichaam bevordert.  Bij granen bestaat een uitgesproken tekort aan lysine, boekweit daarentegen bezit een hoog gehalte aan lysine, terwijl de verdere aminozuur-samenstelling zo gunstig is dat het boekweiteiwit een waarde heeft die bijna net zo groot is als die van de beste dierlijke eiwitten, zoals van melk- en vleeseiwit. Het eiwitrendement van boekweit is veel hoger dan dat van granen. Steeds vaker wordt het

boekweithoning is gezond

artikel boekweit daarom ontdekt als belangrijk ingrediënt in de gezondheidsvoedingsbranche. Boekweit heeft ook als voordeel dat het glutenvrij en daardoor geschikt is voor mensen met glutenallergie. Boekweit is daarnaast zeer rijk aan belangrijke mineralen en andere gezonde stoffen zoals rutine. Van rutine is bekend,dat deze stof een versterkende werking heeft op de wanden van bloedvaten.

De kneu houdt van boekweitzaadjes

Eerst de bijen, dan de vogels 

Sinds de alarmerende berichten over de achteruitgang van de insecten is het inzaaien van bloemrijke akkerranden en natuurakkertjes populair. Het is niet zeker of dit direct effect heeft, maar stilzitten is ook geen optie. Van boekweit is bekend dat het veel nectar en stuifmeel produceert. De plant trekt veel bijen, vlinders en zweefvliegen. Als boekweit uitgebloeid is moet je het laten staan. De zaadjes vallen op de grond en de plant vergaat. In de herfst en winter zal de boekweit veel zaadetende vogels trekken: putter,vink,kneu,groenling ,enz, je doet ze er een groot plezier mee !

boekweit in mijn groentetuin

Geplaatst in Akkerbouw | Getagd , , , , , , | Een reactie plaatsen

De grasmus kreeg een verkeerde naam.

Zingende grasmus

In Friesland noemen deze vogel ’Hagekrûper’. Dat is een goed gekozen naam, want de grasmus houdt van half open terreinen met veel (braam)struweel. Deze haag of hegkruiper doet namelijk niets liever dan struinen door dicht struikgewas. Gras, daar heeft ie niets mee en een mus is het ook al niet. De grasmus heeft een neefje die erg veel op hem lijkt: de braamsluiper. Die naam klopt wel, want braamsluipers laten zich niet vaak zien. Altijd maar druk, druk, druk tussen een wirwar van takken en bladeren. De geoefende vogelaar weet dat je naar de pootjes moet kijken om die twee uit elkaar te houden. De grasmus heeft roze pootjes en die van de braamsluiper zijn donkerder. En dan de zang natuurlijk. Die is ook verschillend.

Grasmussen voelen zich thuis in dicht struikgewas en half open terrein

Ga ergens zitten en geniet

Je hoeft niet veel moeite te doen om een grasmus te zien, want Nederland zit er vol van. Het aantal broedparen ligt ergens tussen de 100.000 en 200.000.

Als je van vogels wilt genieten, zoek je een geschikt plekje met een goed uitzicht op veel struweel, je gaat erbij zitten en wacht. Je wordt vrijwel altijd beloond. Soms duurt het even, maar al gauw gaat de vogelwereld zijn eigen gang. Vogels vliegen langs en over je heen, of gaan zo maar verrassend dicht bij je in een boom of struik zitten. Je ontdekt ook al gauw dat er vogels zijn die steeds in de buurt van hetzelfde struikje of boompje blijven. Als je dat hebt ontdekt, begint het echt leuk te worden. Je gaat dan al gauw zien dat het gedrag van een vogel vaste patronen heeft.

Verticaal de lucht in

Zo hoorde ik een poosje terug een vogel een kort melodietje zingen. Steeds weer opnieuw. Maar zien, ho maar. Dus wat doe je dan ? Op de plaats rust. Verrekijker en camera in de aanslag. Al gauw liet de zanger zich zien. In de top van een kleine berk. Prachtige grijze kruin, roestbruine vleugels, lange staart en een witte keel. Een grasmus ! Nee, geen

roodborsttapuit zit vaak op hetzelfde struikje

braamsluiper, die gaat niet boven in een boom zitten zingen. Steeds weer vloog de grasmus op, verticaal de lucht in om daarna weer snel af te dalen in dezelfde boom. Of in een struikje iets verder weg. Afstand nog geen tien meter. Ik kon moeiteloos een paar mooie foto’s maken. Erg voorspelbaar gedrag. De fitis doet dit ook. Vaak zingend vanuit hetzelfde boompje. Weg vliegen en altijd weer terugkomen. De grauwe klauwier en de roodborsttapuit, ook van die heerlijk voorspelbare vogels. Maar let wel, je krijgt dit gedrag alleen te zien als je geduld hebt en blijft observeren. Gewoon eens proberen!

Half open landschap met veel struweel, het ideale grasmus biotoop

Meer weten over de grasmus ? 

Er zijn websites en blogs die veel info geven over de grasmus. Hier een paar voorbeelden:

Vogelbescherming over de grasmus

Sovon over de grasmus

Filmpje : Herken de grasmus 

Een mus die geen mus is… leuk verhaal 

 

 

Geplaatst in Fauna | Getagd , | 1 reactie

Op bezoek bij Vogel Trek Station De Smidse Linde

Koolmees in het net

Judith haalt een koolmees uit het net. Voorzichtig belandt het vogeltje in een linnen zakje. Hij ( of is het een zij ?) blijkt geringd. Judith leest het nummer af en ik mag het nummer noteren. Mocht je denken dat bij de koolmees het mannetje en het vrouwtje niet van elkaar te onderscheiden zijn, dan heb je het mis. Judith : ´Het mannetje heeft zwart over zijn

Vleugelveren geven info over leeftijd

hele gele buik en bij het vrouwtje stopt het zwart ter hoogte van de poten. Als je goed oplet kun je het ook makkelijk zien. De zwarte strook is bij het vrouwtje ook smaller. Koolmezen kunnen vrij oud worden, de oudste gemeten koolmees was veertien jaar, maar de meeste mezen worden niet eens een jaar .Ik ben op bezoek bij vogelringstation De Smidse. Locatie : Vuile Riete, bovenloop van het Reestdal. Als het station in bedrijf is staat een aantal mistnetten in de tuin en zit Judith Schmidt binnen klaar om vastgevlogen vogels zo voorzichtig mogelijk uit het net te halen. De gevangen vogel wordt dan in een linnen zakje gedaan en meegenomen naar binnen voor onderzoek.

Onderzoek

Bij elke gevangen vogel wordt gekeken naar het vetgehalte. Dat gebeurt door de veren op de buik weg te blazen. Is de huid rood, dan is er geen vet aanwezig. Is de kleur van de huid geel dan wel. Gewogen worden de vogels ook. Ze gaan dan even op de kop in een soort dwangbuisje op de weegschaal. Wegvliegen is zo onmogelijk. Wat overigens opvalt is de rust waarin alles gebeurt. Het is net alsof de vogel weet dat Judith veel ervaring met deze ingrepen heeft en dat er niets kan gebeuren. De koolmees weegt 17 gram. Ook naar de

Even het buisje in om te worden gewogen

leeftijd van de vogel wordt gekeken. Daar komt veel kennis en ervaring bij aan te aan te pas. Opmerkelijk is ook hoe simpel Judith de vogels vastpakt. Zoals nu een geelgors. Het lijkt wel alsof hier een bepaald techniek wordt gebruikt. ‘Dat noemen we de ringersgreep. Als je hem bij zijn pootje pakt gaat ie fladderen. De kop zit tussen de vingers en de vleugels liggen in de hand. Zo blijft de vogel rustig.’ Zo’n geelgors heel dichtbij, voor een vogelaar is dat fascinerend. Een geelgors zingend in de top van een boom op een afstand van 20 meter is al geweldig, maar dit is wel heel apart. We kijken naar de snavel. Toch niet zo stevig als je misschien bij een gors zou verwachten. Een dikke kegelsnavel heeft ie niet. ‘De ondersnavel bij de geelgors is breder dan de bovensnavel. Toch kan ie heel goed zaden eten. Met het grootste gemak maakt hij maiskorrels kapot. Geelgorzen zijn hele rustige vogels. Als ze ontsnappen duiken ze weg, ze verstoppen zich. We hebben er al eens in de krantenbak teruggevonden. Daar hebben we heel lang naar gezocht’. Deze geelgors is al een keer geringd. Een terugvangst heet dat. Ik mag het nummer noteren. Dan kijken eens goed naar de kop. Mannetjes hebben meer geel op de kop. Judith kijkt naar de vleugelveren en ziet dat het hier gaat  om een jonge vogel van vorig jaar. Voor een buitenstaander lijkt dat bepaling van de leeftijd een lastige klus, waarbij veel kennis en ervaring nodig is. Rui, kleur, vorm en lengte van veren zijn belangrijke bronnen voor leeftijdsbepaling. Maar niet alleen de veren.

Prachtige vogel, die geelgors

Hoe kom je aan die kennis ?

‘Zorgen dat je goede vogelboeken hebt. Daar haal je bijvoorbeeld alle vinkachtigen uit. Die hebben dezelfde kenmerken waar je op moet letten. Bij de mezen net zo. Door veel te oefenen leer je van heel veel vogels waar je naar moet kijken. Zo leer je dat je een roodborst in de bek moet kijken om achter de leeftijd te komen. Bij karekieten is dat ook het geval. Bepaald kleuren aan de bek vertellen iets over de leeftijd. Als je bepaalde soorten vaak in de handen hebt, dan weet je het op een bepaald moment wel’.  

 

Voorzichtig haalt Judith de vogel uit het net

Hoe lang bestaat ringstation De Smidse ?

‘Ik ben een keer op bezoek geweest in een vogelringstation bij Hasselt. Dat vond ik heel interessant en leuk om te zien wat daar gebeurde. Het leek me erg boeiend om dat vangen en ringen van vogels ook te leren. In 2011 ben ik met mijn opleiding begonnen in De Kooi bij Henk Luten. Mijn eerste vogel die ikzelf ving was een tjiftjaf in 2012.  In 2013 examen heb in de Scherenwelle bij Joop van Ardenne examen gedaan. In 2013 ben ik gestart met mijn eigen VRS. In dat zelfde jaar ben ik thuis begonnen met het CES project. CES staat voor Constant Effort Site. Dit betekent dat je vogels vangt met een constante en zelfde netopstelling, dat de locatie gedurende een aantal jaren niet verandert. Het project loopt in achttien landen. In Nederland doen 48 locaties mee en VRS De Smidse is het enige station in Drenthe. Ik heb ook een aantal jaren geringd op het station Schiermonnikoog en daar veel ervaring opgedaan. Erg veel soorten vogels in de handen gehad. Vooral rietvogels. En goudhaantjes ! Op elk station vang je weer andere vogels. Niet iedereen mag zo maar een ringstation beginnen. Daar moet je dus een vergunning voor hebben.’

Draaihals ( foto Teo Schmidt)

Bijzondere vangsten

Je zou haast denken, dat een ringstation in de Vuile Riete een saaie plek moet zijn in vergelijking met een toplocatie als Schiermonnikoog. Vergis je niet ! Ook Judith krijgt de mooiste soorten in haar netten. Vandaag misschien even niet, op deze morgen hangen vier soorten in het net, namelijk koolmees, pimpelmees, groenling en geelgors. In de periode 2013-2019 werden er rond de 50 (!) soorten gevangen en geringd. Meer dan 7800 vogels ! Echtgenoot Teo staat meestal paraat om een nieuwe soort op de foto vast te leggen. Bijzondere vangsten genoeg : appelvink, goudvink, kleine barmsijs, ijsvogel en het absolute hoogtepunt tot nu toe in de geschiedenis van De Smidse : een draaihals ! De meest gevangen vogel is de koolmees. Meer dan 2300 keer moest Judith deze meesjes voorzichtig uit het net halen. Opgemerkt moet worden, dat er koolmezen bij zijn, die meerdere malen gevangen zijn. Bij andere vogels komt dit ook voor. Allemaal vogels met een kort geheugen ? Of heeft Judith in de vogelwereld een eigen fanclub ? Of zal het toch dat net zijn, bijna onzichtbaar opgehangen in een tuin waar het zo goed toeven is. Voor dat je weet hang je immers weer.

Geelgors in de ringersgreep,krijgt ring.

Wat maakt de locatie van jouw ringstation zo bijzonder ?

‘De ligging. We zitten hier op de Vuile Riete op een kruispunt van groen. Bosjes en singels, precies dat landschap waar vogels verblijven. Ze verplaatsen zich ook via die groene doorgangen. Verder hebben we onze tuin vogelvriendelijk ingericht. Struiken, water, ruige hoekjes, vogels voelen zich er thuis en vinden er ook voedsel. Ik plaats meerdere netten in de tuin. Ze worden mistnetten genoemd, ze zijn erg fijnmazig, vogels zien ze niet en vliegen er in. Als ze vast komen te zitten haal ik ze er heel voorzichtig uit. Ik heb ooit op een dag 107 vogels in de netten gehad. Dat was wel heel bijzonder. En een blauwe reiger. Ook bijzonder, maar daar had ik Teo bij nodig om hem weer uit het net te halen.’

Kijken naar het vetgehalte op de buik

Doe je dit omdat je het een leuke hobby is, of is dit ook zinvol werk ?

‘Natuurlijk vind ik het erg leuk om te doen, maar het is vooral zinvol. Alle gegevens van al die vogelringstations komen terecht in een grote database bij het Vogeltrekstation. Zo komen we steeds meer te weten over al die trekvogels die naar Afrika trekken. Met een heleboel soorten gaat het niet goed. Het wordt voor trekvogels steeds moeilijker om droge gebieden te overbruggen. De achteruitgang van de insecten komt daar dan nog bij.’

Wat kunnen we hier in ons land doen om het landschap voor vogels aantrekkelijker te maken ?

‘Het aangeharkte en nette landschap is voor vogels niet aantrekkelijk. De bermen worden te vaak gemaaid, we halen zogenaamd voor de verkeersveiligheid ook nog eens struiken tussen bomen weg, er zijn bijna geen verruigde overhoekjes meer. Houtsingels verdwijnen, noem maar op. We moeten hiermee ophouden en het landschap weer herstellen. Het zal ook gunstig voor de insecten zijn.’

Ringstations in Nederland

Als mensen meer willen weten over jouw ringstation, kunnen ze dan ergens terecht.

‘Op de website www.trektellen.nl worden voortdurende vogeltellingen en geringde vogels gemeld. Op een kaartje van Nederland zie je bijvoorbeeld waar alle Vogel Ring Stations liggen. De gegevens van mijn station vind je er ook.’

Vogel Trek Station De Smidse

Geplaatst in Fauna, Interviews | Getagd , | Een reactie plaatsen

De meidoorn als cultureel erfgoed

bloeiende meidoorn op Rabbinge Reestdal

De meidoorn maakt al eeuwen deel uit van ons cultuurlandschap. Het mes snijdt bij deze boom aan twee kanten. Vaak geplant door de mens vanwege zijn stekels en ondoordringbaar netwerk van irritante takken, aan de andere kant is de meidoorn van groot belang in het ecosysteem van het oude boerenland.

De puntige doorns houden alles tegen

De meidoorn houdt van alles tegen 

Heggen of hagen bestaan in ons land vaak uit struiken als meidoorn, sleedoorn, vlier, Gelderse roos, braam e.d. Vroeger deden ze dienst als perceelscheiding en/of als veekering. Nu zien we een meidoornhaag als cultureel erfgoed. Zelfs in de tijd van de Romeinen speelde de meidoorn al een belangrijke rol. De Kelten gebruikten de stekelige hagen om de vijandelijke Romeinse legioenen tegen te houden.  Diezelfde Kelten, maar ook de Germanen zagen de meidoorn als een heilige boom.  Meidoorns werden geplant rondom heilige stenen en kapelletjes.

Aanplant haag met sleedoorn en meidoorn

In de afgelopen eeuw zijn in ons land en zeker ook in het Reestdal veel hagen verloren gegaan. Dat heeft alles te maken met de komst van het prikkeldraad. Gelukkig worden de laatste jaren op veel plaatsen houtwallen, houtsingels en hagen in oude glorie hersteld. Dit gebeurt door de provinciale landschappen, maar ook door particulieren die oog hebben voor het oude cultuurlandschap.

winterkoning houdt van dichte vegetatie

Linten in het landschap

Hagen zijn in het landschap erg waardevol. Natuurlijk zijn ze gewoon mooi om te zien, maar er is meer. Voor vogels en zoogdieren geven ze veel gelegenheid om te schuilen en te nestelen. Er is ook veel voedsel te vinden. Veel zoogdieren, amfibieën en vlinders gebruiken deze “linten in het landschap” als een verbindingsweg. De das doet dat bijvoorbeeld, en voor vleermuizen zijn ze belangrijk voor het ontvangen van de echo’s. De bloemen van de meidoorn verspreiden zon´opvallende geur dat je wel heel erg verkouden moet zijn om dat niet waar te nemen. De witte bloesem trekt veel insecten als wespen, bijen en vliegen.

Ondoordringbaar

De meidoorn is erg geschikt voor het vormen van een heg. Hij groeit snel, kan erg goed tegen snoeien, is dicht en ondoordringbaar vanwege zijn doornen. Juist hierdoor was de boom vroeger geschikt als veekering. De meidoorn kan wel 7 meter hoog worden. De bladeren zijn drielobbig en hebben een gezaagde bladrand. De bloemen

Bloemen meidoorn

openen zich in mei. In oktober hangt de boom vol met rode appelvruchten. Deze ovale bessen zijn rijk aan vitamine C.  Je kunt ze eten, maar of ze lekker zijn…….. In ieder geval lusten de vogels er wel pap van. Vinken, spreeuwen, kramsvogels en koperwieken ze zijn er dol op en zonder het te weten verspreiden ze de zaden.

In het Reestdal kun je op meerdere plekken meidoornhagen vinden. Vaak staan meidoorns met andere struiken zoals sleedoorn en vlier in houtsingels en houtwallen.

Wel even wennen zo´n afgezette haag

Onderhoud is is nodig

Snoeien doet groeien. Voor een meidoornhaag gaat dit gezegde zeker op.  Om een haag mooi dicht te houden moet deze om de vijf, zes jaar worden gesnoeid. En dan bedoelen we ook echt gesnoeid. De struiken worden afgezet tot vlak boven de grond. Het snoeien van meidoorn is soms vervelend werk. De takken zitten vol verraderlijke doorns en zitten vaak in elkaar verward. Bij het snoeien is een beschermende bril en stevige werkhandschoenen absolute noodzaak. Ondanks deze bescherming kom je er niet zonder schrammen van af. Meters lange takken van de braam maken het er ook niet prettiger op. In Drenthe wordt de meidoorn ook wel kribbelhegge genoemd. Ondanks deze schaduwkanten is  het snoeien natuurlijk best leuk werk, je ziet tenminste resultaat.

Cultuurshock

Aan dat resultaat moet je wel wennen, want een gesnoeide haag doet je zeer aan de ogen. Alles is weg! Een complete cultuurshock is het! Jammer voor de heggenmus, merel en kneu die misschien in de haag hadden willen broeden. Of voor de kleine zoogdieren, zoals de bosmuis, de veldmuis en de egel die er hadden willen schuilen. Toch is het snoeien van heggen en hagen noodzakelijk om een oud cultuurlandschap in stand te houden. De haag komt weer erg mooi terug !

Vrijwilligers zetten meidoornhaag af

Vrijwilligers doen nu het werk van de vroegere boeren

Vroeger deden de boeren het, nu zijn het vrijwilligers die deze klussen doen. In het Reestdal wordt de laatste jaren gelukkig steeds vaker meidoorn aangeplant. Het is een struik die in een beekdal thuishoort. Het nut van hagen en heggen is groot

kneu

- ze bieden nest- en schuilgelegenheid voor vogels en zoogdieren
- het zijn verbindingswegen voor zoogdieren, amfibieën en vlinders
- ze verhogen de aantrekkelijkheid van het landschap
- het zijn cultuurhistorische elementen die we graag willen behouden

Vlechten

Heggenvlechten is een eeuwenoud boerenambacht bedoeld om heggen en houtwallen ondoordringbaar te maken. Ondoordringbaar voor wild en vee om te voorkomen dat ze de akkers niet kaal zouden vreten. Het werd ook, maar pas veel later, gedaan om koeien en schapen in de wei te houden. Bij het vlechten worden stammen en takken ingekapt (soms ook geleid, gebogen of geknikt) en daarna bijna horizontaal neergelegd en door elkaar gevlochten. Meestal deed men dit met doornstruiken. Zo ontstaat er een ondoordringbare

foto : vroege vogels bnn-vara

barrière. Vrijwel overal in Europa werden vroeger heggen en houtwallen gevlochten. Met de introductie van het prikkeldraad 100 jaar geleden, is het heggenvlechten snel de rug toe gekeerd. Maar dit ambachtelijk vlechten  komt terug. Zo worden overal in ons land cursussen gegeven. Heggenvlechten is in 2015 op de Nationale Inventaris Immaterieel Erfgoed  geplaatst.

Meer lezen over de meidoorn?

Plantaardigheden 

Flora van Nederland 

Mens en gezondheid 

Geheugen van Drenthe 

Geplaatst in Flora, kleinschalig landschap | Getagd , , , | Een reactie plaatsen

Moeilijke vogels … tot ze gaan zingen

Graspieper of boompieper ?

Tuinfluiter,braamsluiper, fitis, grasmus, fluiter en tjiftjaf. Dat is moeilijk spul. Vogeltjes die vreselijk moeilijk uit elkaar te houden zijn. Het zijn dan de details waar je op moet letten. De kleur van de pootjes bijvoorbeeld of de wenkbrauwstreep. Soms is het om dol van te worden. Braamsluiper en grasmus lijken op elkaar en hebben voorkeur voor hetzelfde biotoop (dicht struweel). Allebei struinen ze door het dichte struikgewas en laten

De grasmus heeft oranje poten

zich niet al te vaak zien. Roodborst en koolmees, ja dat is een makkie. Maar die familie bruine en grijze fladderaars, dat is een ander verhaal. Gelukkig is er een oplossing voor dit probleem. Dat is de zang. Zodra het mannetje ( want die macho´s zingen, vrouwtjes laten zich nauwelijks horen) zijn snavel open doet worden de verschillen tussen het moeilijke vogelvolkje groot. Nadeeltje :  het grootste deel van het jaar zingen ze niet, of ze zijn er niet. Je moet in de maanden april en mei naar buiten om de concerten te horen. Een mooi voorbeeld van twee vogels die vooral door hun zang makkelijk te onderscheiden zijn, zijn de tjiftjaf en de fitis.

tjif tjaf

Tjiftjaf

Net als de koekoek dankt dit vogeltje zijn naam aan het geluid dat ie maakt. De kievit en de grutto horen ook bij dit groepje. De witsterblauwborst doet hier natuurlijk niet mee. Die roept heel wat anders. De tjiftjaf wordt in Duitsland Zilp-Zalp genoemd. Misschien is dat een betere benaming, want het geluid van dit onrustige vogeltje doet meer Duits dan Nederlands aan. Veel mensen kennen de tjiftjaf niet , maar het geluid wel. Dat komt omdat de tjiftjaf overal voorkomt waar bomen en struiken zijn. Niet alleen in bossen dus, maar ook in tuinen.

Klik hier voor het geluid van de tjiftjaf 

De tjiftjaf is erg onrustig. Het lijkt een vogeltje met ADHD, zit vrijwel nooit stil en vliegt van hot naar her. Het is een talrijke broedvogel. De pootjes zijn donker net als de snavel.  Wat ook  opvalt is de beige wenkbrauwstreep, hoewel deze minder duidelijk is dan bij de fitis. Het is een van de eerste vogels die in het voorjaar van zich laat horen. Het aantal broedparen in ons land wordt geschat op rond de 500.000. De tjiftjaf doet het goed. Dat komt o.a. door verstedelijking van voorheen open agrarische gebieden. Dat klinkt gek, maar is wel logisch. Bij de aanleg van stadsuitbreiding worden groenstroken, parkjes en tuinen aangelegd. Daar voelt een tjiftjaf zich al  snel thuis.

fitis

De fitis

Ze lijken wel heel erg op elkaar, fitis en tjiftjaf. Een beetje kritisch kijken en je ziet wat verschilletjes. De wenkbrauwstreep is wat langer en duidelijker dan bij de tjiftjaf, de snavel is lichter en wat langer. Vaak ook wat geler op de buik. Maar alle twijfels vallen weg als je de fitis hoort zingen ! Een liedje van heldere tonen, die hoog beginnen en dan dalen.  Je wordt er een beetje melancholiek van.

De fitis zingt vaak vanuit de top van een boom of struik

Klik hier voor het geluid van de fitis.

Fitissen zijn veel rustiger dan hun neefje de tjiftjaf. Het is vaak mogelijk om rustig naar een zingende fitis te kijken op een meter of tien ( soms zelfs minder) afstand. Hij laat zich graag bewonderen, vliegt even weg en komt dan weer in dezelfde boom of struik terug. Als je het geluid kent, blijkt dat houtwallen, heideterreinen, bosaanplant e.d. vol zitten met fitissen.  Het aantal broedparen in ons land wordt geschat op rond de 200.000. Onderzoek wees uit dat fitissen tijdens hun verblijf in Afrika lijden onder de droogte in grote woestijngebieden als de Sahara.

Bronnen:

Sovon vogelatlas van Nederland

Zakgids vogels van Nederland en België

Eigen waarnemingen

 

 

 

Geplaatst in Fauna, Geen rubriek | Getagd , | Een reactie plaatsen

Dag bloemen, dag vlinders en…..dag grutto ? Of toch niet ?

´Grrutto, grrutto, grrutto ! ´ Wat is er nu mooier dan dit geluid ?

Op woensdag 10 april 2019 kwam dagblad Trouw met een artikel over de grutto: ´De koning van de weide moet behouden blijven´. Deze noodkreet gaat over  het verdwijnen van de mooiste weidevogel die er is, maar in feite gaat het over de dramatische  achteruitgang van de biodiversiteit in ons land. De laatste jaren gaat dit heel erg hard. Het is net alsof het afweersysteem van onze natuurlijke ecosystemen zijn plafond heeft bereikt en dat de hele boel bezig is in elkaar te klappen.

Gelukkig gaat het niet overal slecht met onze flora en fauna. Het moderne agrarische

artikel Trouw

landschap (60%  van ons land)  is een drama, maar er zijn ook landschappen die het goed doen. Een mooi voorbeeld is de ontwikkeling van ´natte natuur ´. Denk hierbij aan meer ruimte voor de rivier, herstellen van beekdalen, aanleggen van waterbergingsgebieden e.d. Juist hier zie je dat een aantal soorten juist toenemen. Zeearend, visotter en bever zijn hier voorbeelden van.

de achteruitgang van de grutto in Nederland

De grutto verdwijnt uit ons land (als er niets gebeurt) 

´Het lijntje van de grafiek loop snel naar beneden. Als aandelen zo zouden kelderen was er allang een economische crisis uitgebroken.´ Zo begint bovengenoemd artikel. Het aantal grutto´s is in twintig jaar gedaald van 100.000 naar 35.000 broedparen. De wereldpopulatie grutto´s is voor 85 % aangewezen op open graslanden in laaggelegen delen van Nederland. Dat grasland moet aan een aantal voorwaarden voldoen om het grutto´s naar hun zin te maken.

- de oppervlakte mag niet te klein, het liefst grote aaneengesloten gebieden van 1000 ha met zo weinig mogelijk verstoring. Een vijfde deel moet natuur zijn waar jonge grutto´s kunnen schuilen voordat ze uitvliegen.

De sierlijke grutto is de koning van de weide

- In het vroege voorjaar moet het water maximaal 10 tot 20 centimeter onder het maaiveld staan. Plasdras met een zachte voedselrijke bodem.

-  Het grazen van vee moet verminderd en het maaien van gras moet veel later dan nu gebeurt. Pas half juni , want de jonge vogels moeten zich kunnen verstoppen in hoog gras.

- Het injecteren van de bodem met drijfmest doodt het bodemleven (wormen) en hier voor in de plaats kan  het land beter worden verrijkt met ruige ( ouderwetse) stalmest. Deze mest bevordert de aanwezigheid van insecten, het basisvoedsel voor jonge grutto´s.

- Het moet roofdieren moeilijk gemaakt worden om eieren en jonge weidevogels kapot te maken. Het landschap moet zo worden aangepast, dat roofdieren zich er niet meer thuis voelen. Bijvoorbeeld door het weghalen van verruigde plekken en uitzichtpunten voor roofvogels. Predatoren kun je ook actief verjagen.

Maar…..waar vind je als grutto  anno 2019 nog zo´n plek ?

De grutto houdt van plas dras grasland

Hopeloos of toch niet ? 

De initiatiefnemers van dit Aanvalsplan Grutto ( samenwerkingsverband groot aantal organisaties) zijn optimistisch. In het verleden zijn er successen geboekt met reddingsplannen als ´Red de zeehond´ en ´Breng de zalm terug in de Rijn´, dus waarom zou dit niet lukken met de grutto ? Landbouw minister Schouten en een groot deel van haar achterban wil  graag meewerken. Veel agrariërs  zijn enthousiast, maar of het er allemaal van komt zal de toekomst uitwijzen.

Lees hier het volledige artikel uit dagblad Trouw van woensdag 10 april 2019

Onze sierlijkste weidevogel verdient een beter biotoop

Meer weten ?

Murk Nijdam is een Friese boer die aan weidevogelvriendelijk beheer doet.

Geplaatst in Fauna | Getagd , , , | Een reactie plaatsen

Dotterbloemen houden van kwel

Honderd jaar geleden was half Nederland in april knalgeel van de dotters. Het grootste deel van onze graslanden, dan hebben we het over honderdduizenden hectares, was schraal en meestal erg vochtig. Vaak werden de dotterbloemen in mei opgevolgd door

Boerenlandschap van Nederland anno 1900.

bloeiende veldzuring, echte koekoeksbloem, moerasrolklaver en ratelaar. De dotterbloemhooilanden werden in het voorjaar niet beweid. Het was er te nat. Van deze graslanden is nog ongeveer 1% over. Dotterbloemen zijn niet algemeen meer. In intensief bewerkt grasland zul je ze niet aantreffen. Dotterbloemen houden niet van een plek met een lage grondwaterstand en bemeste grond. Een huwelijk tussen de hedendaagse agrarische bedrijfsvoering en de dotterbloem zal snel uitlopen op een mislukking.

In natuurterreinen 

Nee, om dotterbloemen te kunnen zien moet je naar natte vrij schrale hooilandjes en dan kom je in dit land al gauw in natuurreservaten terecht. In het Reestdal bijvoorbeeld bloeien dotters vrijwel alleen in terreinen van Landschap Overijssel en Het Drentse Landschap. Mooie dotterbloemhooilanden tref je aan achter het kerkje van Oud-Avereest, langs de wandelroute bij boerderij ’t Ende bij De Stapel en in de Reestlanden op landgoed De Havixhorst even buiten De Wijk.

Meeldraden en stamper in een dotterbloem

Biotoop

Dotterbloemen zijn vrij kritisch. Lang niet overal voelen ze zich thuis. Van een zoute bodem houden ze niet. Net als te zure grond. Fosfaat en ammoniak ( mest) is voor de dotter een ramp. Het meest ideaal voor deze plant zijn de volgende milieuomstandigheden:

-       het land moet periodiek onder matig water staan, dat                  matig voedselrijk en zuurstofrijk is.

 

-       het beheer moet extensief zijn, dat wil zeggen er moet n                                                                 niet of nauwelijks worden bemest en er moet in het                                                                         voorjaar nog geen begrazing door vee zijn.

-       ijzerhoudend kwelwater komt aan de oppervlakte

-       lage oevers van sloten,plassen en beken met niet te voedselrijk water

-       Er mag niet eerder gemaaid worden dan na half juni

 

Bloem

De grote gele bloemen zijn erg opvallend. Het woordje ´dotter´ schijnt een relatie te hebben met het woord ´dooier´.  Zou best kunnen. De plant met de dooiergele bloemen: dooierbloem wordt dotterbloem. De bloemen maken nectar. De nectarkliertjes zitten

Bij zit onder het stuifmeel van de dotterbloemen

onder in de bloem aan de voet van de stamper. De bloem heeft erg veel meeldraden en produceert dus veel stuifmeel. Dotters worden door veel insecten bezocht. Al gauw zitten hommels en bijen onder het gele poeder. Bij het vliegen van bloem naar bloem doen ze aan bestuiving. Ook hier zie je weer hoe belangrijk insecten zijn ! Na de bloei ontstaan de vruchten. In juni is het zaad rijp en bij regenachtig weer spatten de zaden naar buiten. Droge zomers zijn voor dotterbloemen dus niet gunstig.

echte koekoeksbloem

Herstelplan 

Dotterbloemen bloeien vaak in combinatie met echte koekoeksbloem en moerasvergeetmeniet. Er mogen dan mooie dotterbloemhooilanden in het Reestdal zijn, toch is de situatie verre van optimaal. Het Reestdal is nog steeds te droog en veel graslanden zijn te voedselrijk. In 2015 werd een beekherstelplan ( Water op maat) afgerond met als doel het Reestdal natter te maken. De twee knijpstuwen  bij Den Kaat en Rabbinge werden gebouwd om in noodsituatie water te bergen in de bovenloop/middenloop. Er zijn inmiddels hooilanden die natter zijn dan voor de werkzaamheden, maar pas over een aantal jaren kan de balans worden opgemaakt.

Dotterbloemen staan het liefst met hun voeten in kwelwater

Verondiepen van greppels 

Wat een positieve invloed heeft op de karakteristieke flora van de ( schrale) hooilanden is het verondiepen van greppels die water op de Reest afvoeren. Verondiepen is wat anders dan gewoon maar dichtgooien. Er komt veel meer bij kijken. Het vergt nogal wat ingrepen om een greppel wel overtollig regenwater af te laten voeren om vervolgens kwelwater in de wortelzone van planten te houden. Als blijkt dat grassen als witbol en vossenstaart terrein verliezen en plaats maken voor planten als  holpijp en allerlei zeggensoorten, mag je er van uitgaan dat het met het beheer van het hooiland de goede kant op gaat.

dotterbloem en holpijp in kwelwater

lees ook:

Uko Vegter over planten in het Reestdal 

Geplaatst in Flora | Getagd , , , | Een reactie plaatsen

De holwortel bloeit op Dickninge !

Massale bloei van holwortels in de tuin van Dickninge

In het Reestdal is de holwortel  de bekendste vertegenwoordiger van de stinzenflora. De tuin van Landgoed Dickninge trekt in het vroege voorjaar veel wandelaars. Iedereen wil ze namelijk zien; de duizenden bloeiende holwortels. Er wordt naar hartenlust gefotografeerd en gefilmd en dat is ook geen wonder, want in het vroege voorjaar is de tuin van Dickninge een paradijs voor plantenliefhebbers.

Hommel haalt nectar uit bloemen van de holwortel

Helmbloem

De holwortel hoort bij de helmbloemen. Ze zijn er in het wit en in het paars. De bloemen worden vooral bezocht door bijen en hommels, ook citroenvlinders zijn in bloeiende holwortels geïnteresseerd. Bij de landing op de bloem buigt de vergroeide onderlip van de bloem een beetje door. Zo komen de meeldraden en de stamper vrij en slaan tegen de buik van het insect. Met de buik vol stuifmeel vliegt de hommel naar een andere bloem. De knol van de holwortel is, zoals de naam al doet vermoeden, hol van binnen. De plant groeit het liefst op luchtige humusrijke grond.

Geneeskrachtig

In de holle wortels zitten geneeskrachtige stoffen. In het boek “De plant in de geneeskunde” (uitgeverij Atrium) worden corydaline en bulbopadine genoemd. Deze stoffen hebben een kalmerende en verdovende werking en worden toegepast bij ziekten met spiersamentrekkingen. In de omgeving van landgoed Dickninge wordt deze stinzenplant ook wel kloosterkruid genoemd. In de middeleeuwen werd op deze plek vanuit Ruinen een klooster gesticht. Landgoed Dickninge ligt tussen De Wijk en Meppel. Een deel van de tuin rondom het landhuis is vrij toegankelijk.

bosanemoon op zoek naar licht

Bosanemoon 

Het zijn niet alleen de duizenden holwortels die de tuin van Dickninge zo aantrekkelijk maakt. Je kunt er ook genieten van prachtige witte tapijten van bosanemonen. Ook bloeien de gele sterretjes van het speenkruid. Als de voorjaarszon schijnt is het een feest om al die voorjaarsbloeiers te bekijken. Deze planten hebben veel licht nodig om te groeien en te bloeien. Ze zijn er dus altijd vroeg bij en komen tot ontwikkeling in een periode dat de bomen nog geen bladeren hebben. Wil je weten op welke plekken in het Friesland nog meer stinsenplanten te zien zijn, kijk dan op de website van de stinze Stiens. 

Tapijt van bosanemonen

 

Geplaatst in Flora | Getagd , | Een reactie plaatsen

Stinzenflora

Gevlekt longkruid in de tuin van Jongema State in Raerd

Landgoed Dickninge heeft in onze regio, maar ook ver daar buiten, naamsbekendheid als het gaat om de bijzondere flora in april. Als de bomen nog kaal zijn is het voorjaar in de tuin al lang begonnen. In  februari en maart komen de sneeuwklokjes massaal boven de grond  en in eind maart  is de bodem van het bos bedekt met de kleurrijke tapijten van holwortels en ander vroege bloeiers.

En eigenlijk moet het voorjaar dan nog beginnen. Opvallend is de plek waar deze planten

lenteklokje

hun snelle explosieve groei laten zien; waarom alleen daar en niet ergens anders, waarom wel in de tuin van Dickninge en niet daarbuiten ? Het antwoord is niet zo moeilijk te geven. We hebben het hier over een bijzonder groep binnen de Nederlandse flora : de stinzenplanten

Narcissen in de tuin van Martena State Kornjum

Stins

Het woord stins is een Fries woord. Het betekent versterkt en stenen huis.  In Friesland is men ooit begonnen om de typische flora van de stinzentuinen te beschrijven. De rijke bewoners van veel stinzen waren waarschijnlijk niet echt tevreden over hun tuinen, want men liet uit Midden-en Zuid-Europa rijkbloeiende en sierlijke gewassen importeren om de tuinen en parken wat meer aanzien te geven.

 

holwortel

Holwortel

Ook bij kloosters werden deze tuinen met stinzenflora aangelegd, maar dat gebeurde vaak om een andere reden. Men had ontdekt, dat er ook planten tussen zaten met  geneeskrachtige eigenschappen. De holwortel op Dickninge heeft zeer waarschijnlijk alles te maken met  het dubbelklooster Dickninge , dat eeuwenlang op de plaats van het huidige landgoed heeft gelegen. Niet voor niets wordt de holwortel door veel mensen kloosterkruid genoemd.

 

Wat zijn stinzenplanten ? In een oude uitgave van de KNNV getiteld “stinzenplanten in Nederland” staat de volgende omschrijving: “onder stinzenplanten verstaan wij een soort die in zijn verspreiding binnen een bepaald gebied vrijwel uitsluitend beperkt is tot stinzen, buitenplaatsen, oude boerenhoeven, pastorietuinen en aanverwante milieus, zoals kerkhoven en oude stadswallen.Het gaat in de regel om soorten met opvallende bloemen, die vroeger op buitenplaatsen e.d. zijn aangeplant en die vervolgens zijn verwilderd en ingeburgerd”.

Martena State in Kornjum is een mooi voorbeeld van een stins

Mensenwerk 

Het milieu voor de stinzenplanten is geen natuurlijk milieu. Het is een omgeving die door toedoen van menselijk ingrijpen anders is dan de directe omgeving. Door vergraven, bemesten, aanvoer van aarde, door aanplant van bijvoorbeeld beuken, e.d. ontstond een

speenkruid

geschikt biotoop voor een stinzenflora. Er zullen dan ook heel wat jaren verstreken zijn voordat de biotische en abiotische omstandigheden optimaal genoemd konden worden. Overigens profiteren ook andere planten van deze omstandigheden. In tuinen met stinzenflora komen ook veel soorten voor, die ook buiten het landgoed zijn te bewonderen. Fluitenkruid, speenkruid, look zonder look, dagkoekoeksbloem en zevenblad zijn daar voorbeelden van.

Waar komen ze vandaan ?
Over het algemeen zijn stinzenplanten niet inheems. Veel soorten komen oorspronkelijk uit zuidelijk en oostelijk Europa.. Omdat ze inmiddels zijn ingeburgerd worden ze nu gewoon bij de Nederlandse flora  gerekend. Ze zijn dan ook in iedere plantengids te vinden.

bosgeelster

Een paar voorbeelden van stinzenplanten en hun herkomstgebied zijn:

Holwortel                                       - Centraal- en zuid-Europa
Sneeuwklokje                                 – Zuid-Europa
Maagdenpalm                                 – Zuid- en Midden-Europa
Breed Longkruid                             – Midden- en Noord-Europa
Crocus                                            -   Alpen, Pyreneeën en Balkan

 

daslook bloeit pas in april of mei

Wanneer bloeien ze?
Stinzenplanten zijn typische voorjaarsbloeiers. Ze bloeien in de vroege lente en als de zomer begint zijn ze bijna allemaal al weer verdwenen. Een kort en heftig bestaan dus. Alles moet gebeuren in een korte periode : groeien, bloeien, vruchten en zaden maken  en reservevoedsel maken voor het overleven onder de grond.

Hoe overleven ze?
In de zomer en winter zijn de bovengrondse delen van de meeste stinzenplanten niet te zien. Onder de grond bevinden zich de knollen (van bijvoorbeeld holwortel, crocus en voorjaarshelmbloem) , de bollen (van bijvoorbeeld vogelmelk, daslook en sneeuwklokje), of wortelstokken, zoals bij de gele anemoon. In het voorjaar is de groei van de planten, vooral bij warm voorjaarsweer, explosief. De meeste stinzenplanten horen thuis in de bossen, waar ’s zomers weinig licht is. Trouwens de meeste tuinen van landgoederen, buitenverblijven e.d. zijn in het vroege voorjaar rijker aan bloeiende planten dan in de zomer.

Rondom de Schierstins in Veenwouden staan veel soorten stinzenplanten

In welk milieu voelen de zich thuis?
Stinzenplanten komen in Nederland op verschillende grondsoorten voor, maar op de lichte zandgrond willen ze nauwelijks groeien. De bodem moet voedselrijk zijn, maar ook los en luchtig. Als een buitenverblijf op arme zandgrond lag moest er dus veel gebeuren om de bodem voor stinzenplanten geschikt te maken. De grond moest worden bemest. Dat kon door de vijvers en grachten op te schonen en de humusrijke modder in de tuin te deponeren. En dan natuurlijk de bomen en de struiken. Die moesten al flink gegroeid zijn voordat het milieu voor stinzenplanten geschikt was. Een biotoop maken voor stinzenplanten was geen eenvoudige zaak, het was vaak een kwestie van lange adem en veel geld.

Geplaatst in Flora, Natuur | Getagd , , | Een reactie plaatsen