De klapekster : slimme slachter op de uitkijk

Ja hoor, hij is er weer ! De klapekster op Takkenhoogte. Rijdend of wandelend over de Nieuwe Dijk heb je een behoorlijke kans om bovenin een meidoorn of berk deze bijzondere vogel te zien. Vaak op vrij grote afstand, soms ook verrassend dichtbij. Wat is er zo bijzonder aan die klapekster ?
Dertig jaar geleden begon Koos van Zomeren over de natuur te schrijven. Zijn oeuvre is omvangrijk en in erg veel van zijn boeken staan natuur, landschap, flora en fauna centraal. In 2014 verscheen een opvallend boekje: Het verlangen naar de klapekster. De schrijver woont in Arnhem en wandelt heel vaak met de hond door bos en hei. Al gauw is Koos in de 

ban van de klapekster. Gedurende vier winters noteert hij alle waarnemingen van klapeksters. En daar blijft het niet bij. Hij zoekt contact met ornithologen en andere vogelaars die allemaal dezelfde passie voor de vogel hebben als hij. Wat maakt een klapekster zo bijzonder ? En hoe komt het dat deze wintergast bij de meeste mensen zo onbekend is ? Een prachtig boekje over deze slimme vogel met een grote persoonlijkheid. Ook ik ben een beetje besmet met het klapekstervirus. Mijn dag is helemaal goed als ik er weer eens één gezien heb. In de omgeving van het Reestdal zijn er kansen genoeg. Je moet een beetje geluk hebben en een goede verrekijker. Van afstand laat de klapekster zich namelijk goed bekijken. Maar de vogels is erg slim en is je altijd te slim af. Zo is ie weg om even later op een andere plek weer op te duiken. In dit artikel vertel ik over één van de meest aansprekende vogels die we in ons  land hebben.

klapekster met lange zwarte staat en grijze rug

Eerste kennismaking

De klapekster is geen ekster, maar een klauwier. Klauwieren zijn zangvogels met de eigenschappen van een roofvogel. Broeden doet de klapekster niet meer in ons land, maar overwinteren wel. Het favoriete biotoop is open landschap als duin en heide met ruigte en open plekken. Zit graag in top van struik, boom of op een draad. Dit gedrag maakt de klapekster op grote afstand al zichtbaar. De klapekster heeft drie belangrijke kleuren: grijs, zwart en wit. Erg mooi is de kop. Over de ogen draagt de vogel een ‘Zorromasker’, een zwarte band over de ogen. De rug is grijs, de borst wit, de staart lang en de vleugels relatief kort. Een klapekster herken je ook aan zijn vlucht: golvend en snelle vleugelslagen die afgewisseld worden door glijvluchten met ingetrokken vleugels. De snavel heeft een kort scherp haakje. De poten zijn fors met scherpe nagels , maar het zijn geen klauwen. Een klapekster kan geen prooi met zijn poten vasthouden. Dat moet ie met zijn snavel doen. Het voedsel bestaat uit muizen, kleine vogels, hagedissen en insecten. Net als zijn neef de grauwe klauwier heeft de klapekster de gewoonte om prooien aan scherpe uitsteeksels ( doorns, prikkeldraad) op te hangen.

De grauwe klauwier neemt in mei het biotoop van zijn neef klapekster over.

Lanius Excubitor : De slager die de wacht houdt

Het is altijd leuk om naar de oorsprong van de vogelnaam te kijken. Het etymologisch woordenboek van de Nederlandse Vogelnamen ( Klaas J. Eigenhuis) geeft hierover veel informatie. Eerst de Nederlandse benaming : klapekster. Het woordenboek zegt hierover : ‘een duidelijk voorbeeld van een verkeerd gekozen Nederlandse naam voor een vogelsoort.’ Een tekst uit de 18eeeuw spreekt over ‘klapekster’ en bedoelt dan een ekster (

Uit etymologisch woordenboek vogelnamen

pica pica) die heeft leren praten. Het werkwoord klappen betekent immers praten. In het gezegde ‘Uit de school klappen’ zie je dit terug. Vroeger gebruikte men het spreekwoord  ‘Hij klapt als een Aekster’. De naam klapekster is in de loop van de tijd overgegaan op een heel andere niet verwante soort. Een beetje verklaarbaar is het wel, want  zowel de ekster als de klapekster zijn bont en hebben een lange staart. Maar daar houdt de gelijkenis dan wel mee op.

De klapekster heeft nog een andere naam : de Wachter. Vroeger werd deze volksnaam gebruikt door valkeniers. De naam moet je zien als ‘hij die de wacht houdt, waakzaam is en scherp waarneemt’. ( etymologisch woordenboek Nederlandse vogelnamen) Valkeniers gebruikten de opmerkzaamheid van een gevangen klapekster om wilde roofvogels te ontdekken. Ook wordt beweerd dat Linnaeus de naam Excubitor ( wachter) gebruikte omdat de klapekster andere vogels waarschuwt bij het zien van roofvogels door dan luid te gaan krijsen. Toch wel vreemd, want klapeksters zijn nogal zwijgzaam. Bovendien vangt de klapekster zelf ook andere vogels.

Koos Dijksterhuis in dagblad Trouw over de klapekster

Dan nog even het Latijnse woord Lanius. Dat betekent slager of slachter. Dat is een negatief geladen woord voor zo’n mooie vogel. Heb je wel eens een klapekster in je verrekijker gehad ? Daar kun je alleen maar van genieten. Dan wil je het woord slachter niet horen. Toch moeten we wel realistisch blijven. Hoe mooi de vogel ook is, het is een rover. Kleine vogels, muizen, reptielen en insecten, met een Lanius Excubitor op de uitkijk ben je als heidebewoner je leven niet zeker. En half dood opgeprikt worden in een meidoorn, braam ,of nog erger in het prikkeldraad,  is ook geen lolletje.

Wintergast

De klapekster wil niet meer in ons land broeden. Sinds een jaar of twintig moeten we hem in de zomerperiode missen. Het Hulshorsterzand op de Veluwe wordt genoemd als laatste plek waar een broedsel (van drie jongen) uitvloog. Ooit broedden er honderden paren klapeksters in ons land, maar het landschap zag er toen heel anders uit: veel woeste gronden van heide en venen, kleinschalig landschap met veel ruigte en onbenutte hoekjes, veel stille natuur, niet dat nette aangeharkte landschap met hier en daar nog wat natuur, zoals het Nederland van de 21e eeuw. Om zich voort te planten zoeken de klapeksters het liever hoger op, in Zweden, Finland of Polen. In de winter wordt het vinden van prooidieren daar een lastig verhaal en besluiten ze om wat naar het zuiden af te zakken. Gemiddeld blijven zo’n 300 tot 400 klapeksters bij ons in de periode november tot en met maart.  Er zijn goede ( 400-600) en slechte ( 150-300) klapeksterjaren. Dit heeft waarschijnlijk  te maken met broedresultaten in het noorden. Klapeksters hebben voorkeur voor natuurlijke landschappen als heidevelden, hoogvenen, moerasgebieden, kapvlaktes, zandverstuivingen, duinen en kleinschalig cultuurland.

Klapekster in winterzonnetje

Winterterritorium

De klapekster heeft een eigen territorium.  Je ziet de vogels dus vaak in zijn eentje. Soortgenoten jaagt ie weg. Die moeten maar een ander gebied zoeken. In de 1000 ha grote Engbertsdijksvenen ( hoogveengebied bij Kloosterhaar) komen meestal maximaal 5 klapeksters voor.(Twentse Vogelwerkgroep) Onderzoek toonde aan, dat het territorium van een klapekster heel groot is. Het kan variëren van 50 tot 250 ha, soms zelfs nog groter. Binnen dit gebied heeft de klapekster dan een aantal kleinere kernen waar hij actief is en op zoek gaat naar voedsel. Dat verklaart ook het onvoorspelbare gedrag van de vogel. Zie je bijvoorbeeld drie dagen achter elkaar een klapekster op hetzelfde heideterrein, kijk dan niet vreemd op dat hij daarna spoorloos verdwenen is. De klapekster op Takkenhoogte bijvoorbeeld zit een dag later misschien een week op het Nolderveld om daarna de heide van de Wildenberg te bezoeken. En wie weet waar hij allemaal nog zit. Dat wispelturige en geheimzinnige gedrag  maakt het moment dat je hem weer ziet altijd bijzonder !

Voedsel

Klapekster met prooi

De klapekster is een opportunist en eet prooidieren die het meest in zijn biotoop voorkomen. Op droge heiden en stuifzanden worden vaak mestkevers gevangen, in nattere gebieden zoals hoogvenen zijn dat vooral muizen. In het vroege voorjaar, de meeste klapeksters vertrekken pas in april, staan veel levendbarende hagedissen op het menu. In hoogvenen, zoals de Engbertsdijksvenen worden ook heikikkers gegeten.  Kleine zangvogels zoals mezen en vinken worden ook gegeten. Zoals eerder vermeld is een klapekster niet goed in staat om prooi in zijn poten mee te nemen. Dat moet ie met zijn snavel doen. Het haakje aan zijn snavel zal hem daarbij helpen. Meestal wordt een prooi snel op gegeten. Op koude winterdagen heeft de vogel veel energie nodig. Men heeft ontdekt dat in de namiddag, vlak voor de avond valt,  grotere prooien (muizen) worden gegeten. Zo’n lekker hapje kan dan ook uit de ‘voorraadkast’ komen. Net als neefje grauwe klauwier legt de klapekster vaak een voorraadje aan van prooien die hij op scherpe takken of doorns spietst.

Archemermaten: in de winter de klapekster ,in de zomer de grauwe klauwier

Om een idee te geven wat een klapekster zoal naar binnen werkt volgt hier een fragment uit het boekje ‘Het verlangen naar klapekster’ Koos van Zomeren. Het gaat over het gedrag van één klapekster in het Gooi waargenomen op 28 maart in 2012 : ….’de van der Poels ( onderzoekers) hebben van de ochtend tot de avond hun klapekster in de gaten gehouden, speciaal om wat hij teweeg bracht in de plaatselijke populatie levendbarende hagedissen. Hij bleek de dag te beginnen met het verorberen van twee gehangen hagedissen van de vorige dag. In vervolg daarop werden er die dag in totaal 18 gevangen, waarvan er 13 direct of na kortere tijd werden opgegeten. Vijf beesten bleven

Een klapekster pakt ook nogal eens een winterkoning

dus hangen voor later.’  In het tijdschrift Ravon plaatsten Paul en Loes van der Poel een artikel over het foerageergedrag van klapeksters. In de winter van 2009/2010 werden de gespietste of geklemde prooien van één klapekster geteld. De oogst was erg indrukwekkend: 35 insecten ( veel kevers), 26 zoogdieren ( muizensoorten), 40 vogels ( winterkoning, mees en roodborst), 38 reptielen ( levendbarende hagedissen). Doorgaans worden de prooien op een vaste plek verwerkt :  laten we het maar de slachtplaats van Lanius Excubitor noemen. We weten precies wat  klapeksters eten dankzij braakbalonderzoek. Braakballen worden gevonden onder slaapbomen.

Klapeksterbiotoop in Engbertsdijksvenen

Biotoop

Eerst maar even een paar voorbeelden landschappen waar je de klapekster niet gauw zult aantreffen : in bossen en het agrarische landschap. Een klapekster die in ons land de winter doorbrengt heeft namelijk  een paar noten op zijn zang. Het landschap moet open

klapeksters houden niet van heide die vergrast

zijn, liefst een beetje glooiend met hier en daar een boom of struik. ( als uitkijkpost en slaapboom) De vegetatie moet kort zijn met open plekken. Heide bijvoorbeeld moet niet te nat en zeker niet te hoog. Heide die sterk aan het vergassen is of bedekt met hoge en dichte planten van struikheide is bij klapeksters niet populair. Net als geplagde heide. Daar is ook niets eetbaars te vinden. Voor het vangen van kevers, muizen en hagedissen heb je open ruimtes nodig. Een onderzoek op de Veluwe kwam met een verrassende conclusie. Klapeksters houden ook van ruige akkers. Ze vangen er veel muizen.

Is er nog toekomst voor de klapekster in ons drukke landje ?

Ja, er zijn positieve ontwikkelingen. Ook negatieve trouwens. Eerst naar de goede kant van de zaak. Om het klapeksters naar de zin te maken is het herstellen van grotere heide- en hoogvenen nodig. Landschap Overijssel bijvoorbeeld is momenteel op de Lemelerberg en bij Beerze bezig  grote oppervlakten aan bos om te zetten naar heide. Dat betekent dat er

bos maakt plaats voor heide op de Lemelerberg

meer leefruimte voor de klapekster komt. Het zal nog wel wat jaren duren voordat deze gebieden zo verruigd en gevarieerd zijn dat er genoeg voedselaanbod is, maar het zijn stappen op de goede weg. Grote grazers op de heide, zoals koeien en schapen, zorgen voor meer mestkevers . Bovendien komt er meer variatie in het landschap en neemt de biodiversiteit (lees : meer voedselaanbod zoals muizen en kleine zangvogels ) toe. De aanleg van natuur- en wildakkers en bloemrijke akkerranden is ook gunstig. De akkers worden niet geoogst en trekken in de winter veel muizen en vogels aan. Kan gunstig

Grote grazers zorgen indirect voor meer mestkevers

uitpakken voor overwinterende klapeksters, zeker als deze akkers aan de randen van heidevelden liggen. Nadelig voor klapeksters is de toename van onrust in overwinteringsgebieden. In sommige terreinen is de recreatiedruk groot en wordt de klapekster gedwongen om zich te verplaatsen. Een mo0i voorbeeld was in de winter van 2020/2021 de coronadrukte. Op Takkenhoogte liet de klapekster zich niet zien. Over het algemeen laten klapeksters zich op afstand goed bekijken, maar vaak gaan ze toch op de vlucht. De achteruitgang van insecten kan ook negatief uitpakken. We weten dat de vogels veel kevers eten. Wat voor invloed dit heeft op het menu van de klapekster moeten we nog maar afwachten.

Struin met je verrekijker de vlakte af en let op de toppen van bomen en struiken

Hoe ontdek je een klapekster ?

Weet wel waar je aan begint als je op zoek gaat naar je eerste klapekster. De kans bestaat dat je bij het ontdekken van je eerste exemplaar voorgoed ‘verloren’ bent. Titels van verslagen en boeken als ‘In de ban van de klapekster’ of ‘Het verlangen naar klapekster’ zeggen genoeg. Er zijn vogelaars die niet meer normaal  een heide kunnen bezoeken. Ze móeten met de kijker de vlakte afturen op zoek naar de ene vogel in de top van een boom of struik.  Als je eenmaal door hebt hoe een typisch klapekstergebied er uit ziet, wordt de kans op een ontmoeting groter. In het Reestdal kun je een klapekster dus tegenkomen op de heide van Takkenhoogte, Meeuwenveen en De Wildenberg. Waarschijnlijk ook in de Vledders, maar daar mag je niet komen. Net als de Archemermaten langs de Regge bij de stuw van Archem. Ook niet toegankelijk, maar wel een mooi klapeksterbiotooop.  Gelukkig kun je vanaf de randen vaak de terreinen goed overzien. Ik heb klapeksters waargenomen in de Engbertsdijksvenen, op het Dwingelderveld en op Takkenhoogte. In de Junner Koelanden is de kans op een ontmoeting ook groot. Kijk op de website www.waarneming.nl Daar vind je actuele waarnemingen van klapeksters.

Neef grauwe klauwier broedt wel in ons land

Waarom broedt ie hier niet meer ?

Het antwoord op deze vraag is lastig te geven. De grauwe klauwier, qua gedrag en voedselkeuze lijkend op zijn neef klapekster, broedt wel in ons land. Sterker nog, het gaat steeds beter met deze vogel. Hij voelt zich thuis in typische klapeksterbiotopen, houdt ook van open terrein met veel variatie en struwelen. Eet ook insecten, muizen, reptielen, vogels, dus klapekster : wat let je ? In 1999 de laatste klapekster broedende klapekster in ons land , een come-back van deze prachtige vogel zou erg mooi zijn.

Gebruikte bronnen :

Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen – Klaas J.Eigenhuis

Vogels van Europa- Lars Jonsson

Het verlangen naar klapekster- Koos van Zomeren

Vogelatlas van Nederland -Sovon uitgave 2018

Kwartaalblad 67 Het Drentse Landschap

Eigen waarnemingen

Informatieve links :

Over aantallen en andere cijfers van Sovon 

- Algemene informatie over de klapekster van Vogelbescherming 

- Youri in de ban van de klapekster op YouTube

- artikel natuurfotografie met prachtige foto’s  en een  mooi verhaal 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Posted in Fauna | Tagged , , , , , | Leave a comment

De tien mooiste bankjes in het Reestdal deel 2

Het Reestdal is een waar eldorado voor wandelaars. Een ommetje over de landgoederen  Dickninge of de Havixhorst bijvoorbeeld. Wat denk je van een langere tocht vanuit De Wheem in Oud-Avereest ? Je loopt hier zo Drenthe in en je kunt er uren dwalen. Zoek de stilte aan De Stapel  bij ‘t Ende op. Ook zo’n prachtige plek. Veel wandelaars dragen een rugzak met wat proviand en een flesje drinken. Die zijn vaak heel erg blij met een bankje op een prachtige plek. In dit artikel aandacht voor de tweede serie van vijf toplocaties.

De Zuidberg, kerkenpad Oud-Averee

De Zuidberg 

Lopend vanaf de Reestkerk naar  het Reest bruggetje kom je op een prachtige plek. Het kerkenpad ligt hier duidelijk wat hoger in het landschap. Je kijkt van dit  “Opa Berendbankje” zo het Reestdal in. In het voorjaar zijn de hooilanden hier geel van de dotterbloemen. De bank staat met de rug naar een eeuwenoude es. (akker) Deze bolvormige es wordt vaak ingezaaid met boekweit of verrijkt de biodiversiteit als natuurakker. Dit deel van het kerkenpad ligt nog in Overijssel.

Bankje Den Kaat (nog net Overijssel) met uitzicht op het Drentse Rabbinge

Den Kaat 

Langs de Reest lagen vroeger al verschillende nederzettingen. Vaak niet meer dan een verzameling van twee of drie boerderijen. Den Kaat is er een voorbeeld van. Achter Den Kaat loop je richting de Reest. Vlak voor de brug ( met sluisdeuren) staat dit ( nieuwe) bankje. De Reest meandert hier aan je voeten en je hebt een magnifiek uitzicht op de pitrushooilanden. Voor je ligt aan de Drentse kant een mooie esrand, de grens tussen het natte hooiland en de hoog gelegen akker.

Rabbingerveld

Rabbingerveld 

Dit speciale bankje staat er nog niet zo lang. Het is een soort dilemma-bank. Je moet namelijk een keuze maken. Of je gaat zitten met een mooi uitzicht op het westen en geniet  ‘s avond van een mooie avondlucht en een ondergaande zon boven de hei. Of je kiest voor een blik oostwaarts. Dan kijk je ‘s winters over een kletsnatte laagte en ‘ zomers over een droge bedding die rood uitslaat van duizenden zonnedauwplantjes. De bank staat langs het graspad, dat van Rabbinge naar de Nieuwe Dijk loopt. Geschikt voor vier personen.

Drogteropslagen bovenloop Reest

Drochteropslagen 

Heel geschikt gebiedje om even tot rust te komen. Vanaf het dorpshuis in Drogteropslagen loop je hier naar de bovenloop van de Reest. Dit “Rondje Reest ” loopt door een gebied waar Het Drentse Landschap een paar meanders en waterberging heeft gerealiseerd. Het reservaat wordt steeds meer begroeid, de natuurvriendelijke oevers worden steeds rijker aan allerlei planten. Veel vogelsoorten vinden er rust en voedsel. Er is een vogelkijkscherm neergezet en een paar bankjes. Dit is er één van.

Landgoed Dickninge

Landgoed Dickninge

Eén van de weinige plekken waar je langs de Reest kunt lopen. De tuin van Dickninge. In april is deze locatie erg populair. Oorzaak? De massale bloei van de holwortel. Deze stinzenplant staat dan bij duizenden in bloei, samen met bosanemoon en speenkruid. Heel vroeg in het voorjaar is de tuin wit van de sneeuwklokjes. Een prachtige plek voor een bank ! Je kijkt hier vanuit Drenthe op de hooilandjes in de provincie Overijssel.

 

 

 

 

Posted in De mooiste plekjes | Tagged | Leave a comment

De tien mooiste bankjes in het Reestdal deel 1

Laatst in de media: “Geluksvogel wint 220 miljoen euro”. Het winnen van een bak geld als toppunt van levensgeluk ? Het zal wel. Veel mensen zoeken hun geluk in kleine dingen. Voor een wandelaar of fietser kan dat een bankje zijn op een mooie plek. De thermosfles uit de rugzak, boterhammetje met kaas, of een lekker appel erbij en genieten maar. De meeste bankjes die in ons land zijn geplaatst, staan op namelijk een mooie ( zonnige) plek. In het Reestdal staan er behoorlijk veel, vaak op toplocaties. Van de tien mooiste bankjes ( het gaat natuurlijk niet om de bank, maar om de plek) de eerste vijf hotspots:

't Ende aan de Reest

‘t Ende aan de Stapelerweg 

Achter de prachtige monumentale boerderij ‘t Ende brengt een graspad je richting de Reest. Vlak voordat je de beek oversteekt en de provincie Overijssel binnenloopt staat deze bank. Je hebt hier een mooi uitzicht over de natte hooilanden aan weerszijden van de Reest. Een heerlijke plek, want je bent hier vaak alleen. Eén en al rust hier !

Vanaf Den Westerhuis kijk je richting het Drentse De Wildenberg

Den Westerhuis 

Van De Wheem op Oud-Avereest kun je een heel mooi rondje Wildenberg lopen. Vanaf de begraafplaats loopt een onverhard pad naar Den Westerhuis. Vanaf deze mooie eikenhouten bank heb je een geweldig panorama op Drenthe. In de verte ligt boerderij De Wildenberg, een graspad tussen de hooilanden brengt je er naar toe.

Steenen Pijp

De Steenen Pijp

Deze bank staat langs één van de oudste doorgangswegen door het Reestdal. Ooit was dit een groot veenmoeras. Over de dekzandruggen die boven het veen uitstaken liepen de verbindingswegen, zoals deze tussen Ommen en het noorden. De Reest was hier erg ondiep,  het grootste deel van het jaar kon je via deze doorwaadbare plek aan de overkant komen. Toen de Ommerschans in 1628 werd aangelegd kwam hier een houten brug. Op de plek van het bosje links stond in de 17e eeuw een korenmolen. Mooie kijk hier op de meanderende Reest die hier westwaarts stroomt.

Katingermeertje

 Het Katingermeertje 

Als je van Balkbrug via het Katingerveld ( Landgoed Kategerbos) richting Rabbinge loopt en je doet bijvoorbeeld via het knooppuntennetwerk of De Loop van de Reest, passeer je het verscholen Katingermeertje. Een prachtig vennetje en een hele mooie plek om even wat te mijmeren over de zin van het leven. Je moet je dan wel heel goed concentreren, want op de achtergrond raast het verkeer over de N48. Dit is typisch zo’n Nederlands plaatje dat niet de hele waarheid vertelt. Prachtige plek, maar foto’s geven geen geluid….

Spookmeer

 Het Spookmeer (tje) 

Superplek. ‘s Zomers laten de duikende dodaarzen zich bewonderen en kun je in mei genieten van een kikkerconcert. Er staan nog een paar bankjes langs het vennetje, maar deze is erg geschikt voor het fotograferen van vogels. Je zit hier namelijk half verborgen achter een boompje. Gewoon over de plas kijken kan natuurlijk ook. Als het wat mistig of nevelig is begin je de naam van dit veengat te snappen. Spoken zijn de laatste tijd niet meer gezien.

 

 

Posted in De mooiste plekjes | Tagged | Leave a comment

Raven op het Rabbingerveld

Vliegbeeld raaf

“Karrrr-Karrrr-Karrrrrrrr………….” Twee grote zwarte vogels vliegen over de vlakte van het Rabbingerveld. Een eind verderop duiken ze naar beneden en scharrelen wat rond. Je hoeft geen geoefende vogelaar te zijn om dat diepe donkere raspende geluid te herkennen. Zwarte kraaien en roeken “zingen” heel anders en het geluid van kauwtjes is veel hoger. Slechthorende ,vaak wat oudere vogelaars ( die zijn er meer dan je denkt) zijn niet bij voorbaat kansloos. Herkennen  van een raaf kun je naast geluid ook op de grootte. Het zijn joekels van vogels, met een grote zwarte snavel, gevingerde vleugels en een waaiervormige staart. Erg schuw ook, laten roeken, kraaien en kauwtjes zich vaak van dichtbij bekijken, de raaf zul je vaak van afstand moeten zien. In de verrekijker of telescoop. Ze moeten niet veel van mensen hebben. Gelijk hebben ze.

Relatie tussen raven en wolven

Dode ree op de heide van het Rabbingerveld

Op 28 oktober 2021 verscheen in Dagblad Trouw een artikel over de relatie tussen raven en wolven. In het voorjaar werden zes jonge raven op de Veluwe gezenderd. Ze kregen een soort rugzakje met GPS . Het doel van dit experiment is om er achter te komen waar de vogels zoal verblijven, maar er was nog iets. Vanuit het buitenland was al bekend dat raven en wolven een soort voedselrelatie hebben. Niet één van eten en gegeten worden, maar een relatie met wederzijds voordeel. Als wolven een prooi hebben, zijn er heel snel raven bij.  Wolven laten raven ook mee-eten als het karkas open ligt. Dat open scheuren van een dood dier kunnen raven niet. Dat is het voordeel aan de kant van de raaf. Maar wat heeft de wolf hieraan? Wolven pakken levende prooien, maar zijn ook aaseters. Van raven is bekend, dat ze vanuit de lucht heel goed op de hoogte zijn van alles wat dood of verzwakt is. Wetenschappers hebben ontdekt dat raven middels geluiden en de stand van hun vleugels hier van aanwijzingen geven aan wolven. Daar is dus het voordeel voor de wolf.

Ook op Takkenhoogte voelt een ravenpaartje zich thuis

Vlees verstoppen 

Over een relatie tussen de Veluwse raven en wolven is nog niet veel bekend. Het onderzoek zal nog wel een tijdje duren. Wat de wetenschappers wel konden aantonen, is een vorm van hamsteren bij raven. Wat namelijk opviel, was dat dagen nadat een dier was gedood,

artikel Trouw

raven er nog dagenlang rond bleven hangen. In de buurt van aas werden vaak  verstopte stukken vlees gevonden. Begraven onder mos bijvoorbeeld. Dat moet het werk van raven zijn. Interessant is dan weer welke invloed dat dode vlees heeft op de populaties aaskevers vliegen, muizen, maar op vogels als de rode wouw en de zeearend.

Herintroductie bracht de raaf weer terug

De raaf was sinds de jaren ’30 van de vorige eeuw uit ons land verdwenen. Oorzaak? Vervolging. In vrijwel heel Europa had de raaf een slechte naam en werd de vogel gezien als schadelijk wild. Wel werden raven als kooivogels gehouden. In 1936 werd een (mislukte) poging gedaan om de raaf als broedvogel in ons land terug te brengen door negen jonge vogels uit Litouwen te importeren. Na een jaar werd niets meer van de vogels

Vooral de wigvormige staart is duidelijk zichtbaar

vernomen. In 1947 kreeg de raaf in ons inmiddels weer ravenloze land wettelijke bescherming. Het duurde tot de jaren ’60 voordat weer opnieuw raven (nu uit Sleeswijk Holstein) werden geïntroduceerd. Het project werd heel serieus aangepakt. Zo kregen de medewerkers het advies om de jonge raven  in grote kooien te laten wennen om vervolgens te wachten tot er “kweekparen” werden gevormd. In stapjes werden de vogels  klaargestoomd voor de echte wereld. In totaal kregen in dit project 160 raven op die manier de vrijheid. Pas in 1976 gingen drie paren in het wild over tot broeden. Raven kwamen eerst vooral op de Veluwe voor, later ook op de Sallandse Heuvelrug en in Drenthe. Nu wordt het aantal broedparen geschat op rond de 150.

Gewilde dieren 

Meer informatie over deze herintroductie van de raaf  vind je in het boek “Gewilde dieren”. Dit boek vertelt over de diersoorten in ons land die allemaal dank zij een herintroductieprogramma gered of weer teruggekomen zijn. Denk aan de bever, het korhoen, de das, de beenprik, de otter, de steur en nog veel meer.

 

Posted in Fauna | Tagged , , , | 1 Comment

Over akkerkruiden : hoe ze verdwenen uit het landschap

Bloemrijke akkerrand met gele ganzenbloem

Een wandeling door het Reestdal is een tocht door het verrassend boerenlandschap van 100 jaar terug. Behalve een slingerend beekje kom je langs oude boerderijen, hooilandjes, hakhoutbosjes, houtwallen, heidevelden en graanakkers. In de zomermaanden zijn de essen ( ander woord voor akkers) een lust voor het oog. Tussen de granen (vaak winterrogge) domineert het blauw van de korenbloemen. Ganzenbloemen kleuren akkerranden geel. Akkerkruiden hebben het moeilijk in ons land. Er is wel reden voor enig optimisme De aandacht voor akkerflora neemt namelijk toe. Bij het herstel van biodiversiteit kunnen ze een belangrijke rol gaan spelen.

In een aantal artikelen wil ik aandacht besteden aan de wereld van de bloeiende akker. Als bronnen maak ik gebruik van Het Akkerboek (KNNV), eigen waarnemingen en een aantal artikelen uit  de media. 

Uitgave KNNV

Is dit boek de Bijbel voor het beheer van kruidenrijke akkers?

Voorjaar 2021 verscheen Het Akkerboek, uitgave KNNV. Op dit boek zaten veel natuurbeheerders, agrariërs, plantenkenners en natuurliefhebbers al een poos te wachten. Het verscheen na tien jaar degelijk onderzoek naar het herstel van wilde planten en dieren in akkers. De schrijvers van Het Akkerboek hebben hun ervaringen en kennis gebundeld en geven praktische adviezen over de manier waarop je als boer, particulier of natuurbeheerder aan de slag kunt om (bijna) verdwenen akkerkruiden weer terug te krijgen in het landschap. Dit is misschien wel HET boek over alles wat met akkerbeheer te maken heeft. Een soort Akkerbijbel dus.

Schatkamers van biodiversiteit

Graanakker in Groningen

Ooit waren akkers schatkamers van biodiversiteit. Die tijd komt niet weer terug. De Nederlandse boer is producent voor de wereldmarkt en moet in zijn bestaan hard werken voor ( veel te) lage prijzen. Dat zal helaas niet snel veranderen. Alles draait om efficiency en massaproductie. De boeren worden in dit systeem uitgekleed.

In de bedrijfsvoering passen geen akkers met bloeiende korenbloemen, roepende patrijzen of randen en ruige oeverhoekjes met allerlei kruiden. De akkers zijn soortenarm. Toch zie je in het agrarisch landschap iets veranderen. Het

akkerrand met duizendblad op de Noorderesch bij Buinen Drenthe

aantal bloemrijke akkerranden bijvoorbeeld neemt toe. In de afgelopen jaren is de belangstelling voor akkerkruiden toegenomen. Niet alleen bij “natuurmensen”. Steeds meer agrariërs lijken te kiezen voor een bedrijfsvoering waarin landbouw en natuur meer samengaan. Daar liggen mooie kansen voor een voorzichtig herstel van onze akkerflora.

Extensief beheer

De meeste graanakkers (essen) in het Reestdal worden extensief beheerd door de provinciale landschappen Landschap Overijssel en Het Drentse Landschap. Ze lijken vaak op de akkers, zoals je die op oude schoolplaten ziet: rogge of gerst met daartussen het blauw van de korenbloemen, het rood van de klaprozen en het geel/wit van de kamille. Natuurbeschermingsorganisaties kunnen het zich permitteren om deze vorm van akkerbeheer te voeren. Hier staat biodiversiteit op de eerste plaats en niet de opbrengst. Een luxe situatie.

Akkerkruiden in de winterrogge

Hoe konden zoveel soorten akkerkruiden verdwijnen ?

Tijdens biologielessen wordt leerlingen uitgelegd wat een monocultuur is. Als voorbeeld wordt vaak een akker genoemd: een bepaald gebied waarop één plantensoort wordt

Ook een dennenbos is een monocultuur. De natuurwaarden zijn relatief laag.

verbouwd. Een maisakker of een weiland met alleen maar raaigras, maar ook een aangeplant dennenbos zijn voorbeelden uit de praktijk. De gemiddelde Nederlandse akker is erg arm aan soorten. Dat was jaren geleden heel anders en je kunt je dus afvragen hoe dat zo gekomen is. De belangrijkste oorzaken zijn:

 

-        Vroeger boden de graanakkers veel meer ruimte voor allerlei akkerkruiden dan nu. De rogge bijvoorbeeld stond lang niet zo dicht op elkaar. Voor korenbloemen, klaproos, lathyrus, akkerleeuwenbek en andere soorten waren de omstandigheden vaak gunstig om

Gebruik van gewasbescherming

tot bloei en zaadvorming te komen. Dat gewassen steeds dichter en gesloten werden, kwam door het gebruik van kunstmest. Bovendien werden onkruiden chemisch bestreden. Bijna alle akkers in ons land worden al jaren zo beheerd. Het zijn monoculturen. Andere planten worden niet geduld.

-       De teelt van gewassen veranderde in de loop van de tijd. Granen maakten plaats voor gewassen als mais, suikerbieten, of bloembollen.

Boekweit wordt niet veel meer verbouwd

-       Akkers met gewassen met ruimte voor akkerkruiden kwamen steeds minder voor of verdwenen uit het landschap. Hierbij moet gedacht worden aan de teelt van bijvoorbeeld boekweit, vlas en hennep. De laatste jaren wordt het areaal van deze gewassen wel iets groter.

-       Het zaad van granen wordt streng gecontroleerd en is vaak geschoond van allerlei  ongerechtigheden, dus ook van andere plantenzaden.

-       Tijdens de vele ruilverkavelingen in ons land zijn veel akkerranden, ruige overhoekjes, kleine akkers en bermen verloren gegaan.

-       Er wordt veel dieper geploegd dan vroeger.

Bij het zaaien van winterrogge worden de stoppels onder gewerkt.

-       Op graanakkers zie je vaak dat de graanstoppels van de oogst in augustus onder worden geploegd als de akker in oktober weer wordt ingezaaid met wintergraan. Voor veel akkerplanten is de aanwezigheid van stoppels tot in het voorjaar juist gunstig. Die situatie doet zich voor bij zomergranen, die worden namelijk pas in het voorjaar gezaaid. Het inzaaien van verplichte groenbemesters ( mosterd, winterrogge, gras) in het najaar maakt de groei van akkerkruiden vrijwel onmogelijk.

Locatie project Den Westerhuis

Project op Den Westerhuis

Het Akkerboek noemt nog meer oorzaken van het verdwijnen van onze akkerflora, maar vermeldt ook dat er veel mogelijk is om weer te zorgen voor herstel. Het tweede artikel gaat dan ook over een mooi project in het Reestdal. Op deze locatie, gelegen tussen de begraafplaats van Oud-Avereest en Den Westerhuis worden elk jaar zes soorten granen in stroken gezaaid, liggen bloemrijke akkerranden en staan de essen met rogge vol van akkerkruiden als klaproos, akkerviooltje, korenbloem, kamille, wikke en nog veel meer.

Posted in Akkerbouw, Landbouwgewassen in het Reestdal | Tagged , , , | Leave a comment

Loopneus door de bijvoet

Bijvoet heeft kleine onopvallende bloemen

Heel makkelijk loop en fiets je er aan voorbij. Goed waarnemen is sowieso een vaardigheid. Vaak staan ze massaal in de bermen en opvallen doen ze dan nog niet, al worden ze vaak hoger dan een meter. Een beetje lekker ruiken en een heleboel stuifmeel produceren, daar zijn ze behoorlijk goed in. Ze vallen bij de meeste mensen onder de term “onkruid”. Waar hebben we het over ? Het gaat hier over een plant, waarvan wordt beweerd, dat soldaten in de Romeinse Tijd de bladeren gebruikten om hun vermoeide voeten te verzorgen: de bijvoet.

Bijvoet in de natuurakker

Bijvoet in de natuurakker 

Een mooie plek om bijvoet eens wat beter te bekijken is de natuurakker bij boerderij ‘t Ende aan De Stapel. De akker is in het voorjaar ingezaaid met boekweit, zomergranen en een mengsel van akkerkruiden. De boekweit is (bijna) uitgebloeid en door de slagregens tegen de bodem gedrukt. Bij granen, zoals winterrogge noemen ze dit legeren. Planten die de akker nu bevolken zijn o.a. akkerdistel, duizendknoop , slangenkruid, hennepnetel, margriet en haagwinde. Echt dominant zijn twee andere  planten: de knopherik, die erg op bladrammenas lijkt en de bijvoet. Vooral de bijvoeten kun je niet missen, die komen echt met hun kop boven het maaiveld uit. Soms bijna twee meter hoog ! Vrijwilligers hebben een aantal planten langs het pad verwijderd, zodat het uitzicht over de vlinderrijke akker nog blijft bestaan.

bloeiende bijvoet

Allergeen 

De bloemetjes van bijvoet zijn erg klein. Ze kleuren een beetje bruin/rood. Bijvoet is een windbloeier. Nou, dan weet je het wel. De mannelijke bloemen produceren heel erg veel stuifmeel in de maanden augustus en september. Helaas is dit stuifmeel behoorlijk allergeen. Ander gezegd, het is een ramp voor je als je gevoelig bent voor deze pollen. De website Flora van Nederland zegt er dit over : “De mannelijke bloeiende bloemetjes geven enorm veel pollen af dat door de wind wordt verspreid. Deze pollen zijn sterk allergeen en daarmee is de Bijvoet tijdens zijn bloeitijd van augustus tot september een van de belangrijkste kruidachtige hooikoortsplanten. Een allergie voor bijvoetpollen gaat vaak samen met een allergie voor selderij, peterselie, wortel, venkel, komijn, dille, paprika en anijs. We spreken dan van kruisallergieën” ( Flora van Nederland)

bijvoet en teunisbloem

Makkelijk herkenbaar

Draai een geveerd blad eens om en je ziet een duidelijk kenmerk van de plant. De onderkant van de bladeren is namelijk zilverkleurig en behaard. De kaarsrechte stengels zijn niet glad, maar gegroefd. Als je bijvoet uit de grond trekt, zie je dat de plant zich heeft  ontwikkeld uit een kluwen van wortelstokken. Een plant in alle rust bekijken, we doen het te weinig. Het levert veel op. Lettend op de bloemen, de bladvorm, de stengel, de grootte, de locatie waar de plant zich thuis voelt, je kennis van de plant neemt toe en daarmee ook het respect en de bewondering. Het woord onkruid krijg je niet meer over je lippen. Je gaat ook op een andere manier waarnemen als je een plant inmiddels kent. Het is net als de auto die je net gekocht hebt. Ineens blijken heel veel andere mensen precies hetzelfde merk te rijden. Was je nooit opgevallen !

De bladerenvan bijvoet zijn geveerd.

Bijvoetpad 

Nu laten we de bijvoet staan, of erger nog, we zien hem niet eens staan. Dat was vroeger wel anders. In de prehistorie werd bijvoet (waarschijnlijk) gegeten als groente. In andere culturen verbrandde men de bladeren van de plant om de muggen weg te jagen. In de Middeleeuwen werd gedacht dat bijvoet de duivel op afstand hield. Genoeg redenen om een leuke link te maken tussen de bijvoet en vroegere tijden: Het Bijvoetpad , een rondwandeling over de Drentse Hondsrug vanaf het Hunebedcentrum in Borger.

Meer info over de bijvoet vind je hier:

- Over de plant zelf met veel foto’s 

- Over smaak en geur 

-De geneeskrachtige eigenschappen van bijvoet

 

Posted in Flora | Tagged , | Leave a comment

Feestje biodiversiteit op Landgoed Linde

Poel en hooilandje op Landgoed Linde

Door Landgoed Linde lopen graspaden waar je een prachtige wandeling kunt maken. Je bent er vaak alleen, druk is het er nooit, de geluiden die je er hoort zijn die van het platteland. Het meest voorkomende geluid heet stilte. De meeste paadjes voeren je door jonge bossen en langs grazige weiden,  maar zo nu en dan kom je op een verrassende plek. Aan de zuidoostelijke rand van het landgoed bijvoorbeeld passeer je twee vennetjes. Misschien moet je hier eerder spreken van poelen. Naast de grootste plas ligt nog een natte laagte, een soort hooilandje.

Sint-jans vlinder op knoopkruid

Variatie aan planten en insecten 

Wat een variatie aan planten op deze plek ! De randen langs het graspad worden gedomineerd door knoopkruid. Veel planten zijn al uitgebloeid, maar honderden andere lila bloemen, in Salland worden ze ook wel speldenkussentje genoemd, steken boven het gras uit. Wat opvalt is dat knoopkruid veel door insecten wordt bezocht. Ik zie al gauw de atalanta, het bruine zandoogje, het hooibeestje, Sint-Jansvlinder en de citroenvlinder van bloem naar bloem fladderen. De gele bloemen van de grote wederik, het Jacob kruiskruid en het Sint-Janskruid vallen

Grote pimpernel

natuurlijk direct op.  Vooral het door boeren zo verfoeide Jacobs kruiskruid is bij bijen, zweefvliegen en kevers erg populair. Wat minder opvallend tussen het gras de stijve ogentroost en de gewone brunel. Bijzonder is de grote pimpernel. De langgerekte stelen met de roodbruine bloemen zijn prachtig om te zien. De plant is vrij zeldzaam, in het Reestdal kun je ze vooral vinden in de benedenloop, in de buurt van Meppel. In de natte laagte bloeit de dopheide en is tormentil massaal aanwezig. Hier en daar laat de wilde peen zich zien. Misschien zijn de bloemen van de felgekleurde steenanjers wel de grootste “publiekstrekkers” in dit prachtige terreintje. Vrij zeldzaam en een echte plant van de zandgronden, al zou je dat aan de naam niet aflezen.

Oever met moeraswolfsklauw, zonnedauw en tormentil

Oever

In het water van de grote poel bloeien rode waterlelies, maar mijn aandacht gaat uit naar de zanderige oevers. Ideale plekken voor amfibieën om in de eerste zonnewarmte wat op temperatuur te komen. En natuurlijk voor de pioniers onder de planten. Lang zoeken is

In de poel drijven waterlelies

niet nodig, de ronde zonnedauw staat er bij tientallen. En ja hoor, de moeraswolfsklauw is ook present. Vaak zie je deze twee op vochtige kale plekken bij elkaar staan. Ze mogen maar tijdelijk van hun plekje genieten, want de successie in de natuur is niet tegen te houden. Na verloop van tijd wordt de locatie ingenomen door andere planten ( dopheide bijvoorbeeld) en dan verdwijnen ze.

Beheer 

De eigenaar van het landgoed doet zijn dagelijkse rondje en we komen aan de praat. Landgoed  Linde was eerste landbouwgrond en in 2003 omgezet in nieuwe natuur. Dat kon toen dankzij een voor agrariërs aantrekkelijke landgoedregeling. Je kunt je niet voorstellen dat in een periode van nog geen twintig jaar gras-en maisland kunnen veranderen in een prachtig afwisselend landschap met een boomgaard, hooilandjes, poelen en gemengd loofbos. De hooilandjes/natte laagtes worden in de nazomer gemaaid. Het maaisel wordt afgevoerd om de bodem te verschralen.

Landgoed Linde. Bij de pijl de poeltjes en het hooilandje

Meer landgoederen

Naast Landgoed Linde, vind je in de bovenloop/middenloop van het Reestdal nog meer nieuwe landgoederen: Nolderhoeve, De Steenen Pijp en  het Katiger Bos. Alemaal voormalig landbouwgebied en inmiddels uitgegroeid tot prachtige wandelgebieden met vaak verrassende natuur.

Posted in De mooiste plekjes | Tagged , , | Leave a comment

De vuilboom is een insectenmagneet

Vuilboom: tak met bloemen en bessen

Hommels, zweefvliegen, bijen, wantsen, mieren, het vliegt, kruipt, springt en dwarrelt de hele dag door. Van tak naar tak, Van bloem naar bloem. Als een magneet trekt de vuilboom allerlei soorten insecten aan. Pas als je de boom van dichtbij bekijkt snap je waarom. Dit verhaal gaat over een boom, die eigenlijk in elke tuin zou moeten staan. Bij de massa niet bekend.  Dat is jammer en dat zou moeten veranderen. Dit artikel maakt duidelijk waarom.

De kleine bloemen van de vuilbomen zitten in trosjes.

Onopvallend 

Een spectaculaire boom is het niet, de Rhamnus frangula. De vuilboom bloeit niet zo markant als de vlier, de krent of de meidoorn. Zo’n explosie van kleur en geur, nee daar doet ie niet aan. Bij deze boom is de bloei niet een proces van een paar dagen. Hier is niet het credo “Kort maar krachtig” , deze wat introverte boom smeert de bloeiperiode namelijk uit over de maanden mei tot en met september. Dat is best bijzonder, er zijn maar weinig bomen die zo lang bloeien. De kleine groenachtige en roomwitte bloemetjes staan in trossen. Is een bloem bestoven en bevrucht, dan vormt zich op die plek een bes. Ook apart: een boom/struik met bloemen en vruchten (bessen)  tegelijk aan dezelfde tak.

De bloemen van de vuilboom trekken veel insecten, zoals de smalle randwants

Makkelijke boom met grote biodiversiteit 

Veel eisen aan zijn omgeving stelt de vuilboom niet. Als er maar zonlicht is. Staat ie op een wat zure en vochtige plek, dan is het helemaal feest. Een vuilboom die je in de tuin zet  gaat je belonen met de bloei van honderden kleine bloemetjes en dat de hele zomer door. Ze produceren blijkbaar erg veel nectar en stuifmeel, want het gezoem is niet van de lucht.

Aardhommel op zoek naar nectar.

Ik sta nog wel eens een uurtje ( met camera en macrolens) bij een vuilboom te kijken en de toeloop van insecten is ongekend. Allerlei soorten bijen ( honingbij, blinde bij) hommels ( aardhommel, akkerhommel), wantsen ( de smalle randwants is prachtig om te zien)  zweefvliegen en mieren hebben vuilboom als onmisbare voedselbron. Nog even wat fotograferen betreft. Wat opvalt bij het gedrag van de naar stuifmeel en nectar zoekende insecten is dat ze zo’n klein nauwelijks geopend bloempje heel kort bezoeken. Even stilzitten voor de fotograaf is er niet bij. Vooral hommels kunnen er wat van. Om tureluurs van te

De honingbij weet de vuilboom ook wel te vinden. Echte vuilboomhoning is er niet.

worden! Ook wel logisch natuurlijk, het aanbod van al die minibloempjes mag dan wel erg groot zijn, veel voedsel zullen ze niet bevatten. Je moet er als insect dus honderden bij langs. Citroenvlinders zoeken niet de bloemen, maar de bladeren van de vuilboom op om er eitjes af te zetten. Voor deze vlindersoort is de vuilboom dus de waardplant.

Vuilboom in het landschap

Vroeger werd vuilboom geplant in houtwallen en heggen. Waarschijnlijk omdat men ontdekte dat ze na het afzetten ( houtwalbeheer) weer erg mooi gingen uitlopen. Het is ook een boom die het goed doet in de struiklaag van een (eiken) bos. Als de kronen van de boomlaag maar licht door laten. Kleine heideterreintjes die door bos worden omringd ( in de Haardennen of  in het bos van Rabbinge bijvoorbeeld) groeien zonder beheer dicht. Vooral met vuilboompjes. Vogels eten de bessen, poepen de niet verteerde pitjes uit en een nieuwe vuilboom is geboren. Op sommige plaatsen vind je in zo’n heideveldje honderden zaailingen! Dan komt een belangrijk element van natuurbeheer aan de oppervlakte: je

Door opslag van vuilboom groeide het dalletje bij het Spookmeer bijna dicht.

moet keuzes maken. Wat wil je in stand houden: de bloeiende kraai- en dopheide of kies je voor de ontwikkeling van bos ? Bij de kleinere omsloten heideveldjes is de keus niet moeilijk  en ook logisch. De vuilboom moet eruit ! In ieder geval de meesten. De heide moet blijven. Denk niet, dat je na het afzetten (knippen, zagen) van een vuilboomstruik van de spork ( zo wordt ie ook genoemd) af bent. Sterker nog, de vuilboom komt veel voller terug. Bij het opnieuw uitlopen maakt de struik een krans met erg veel takken. Een blijvertje dus met een sterk karakter.

Rijpe bessen van de vuilboom worden door vogels gegeten.

Wetenswaardigheden/links 

Online is er veel over de vuilboom te vinden. Hieronder staan wat informatieve links. Tijdens het zoeken van informatie kom je soms leuke dingen tegen. Wat voorbeelden:

- Een actie van imkers in België met als doel 100.000 vuilbomen te planten.

- Website met veel foto’s van bladeren bessen, takken en stam

- Hoe komt de vuilboom aan die naam ?

- De geneeskracht van de vuilboom.

 

 

 

 

 

Posted in Flora | Tagged , , | 1 Comment

Meer bloemrijke akkerranden, minder spuiten

Steeds vaker kom je ze tegen : ruige en/of bloemrijke akkerranden. Stroken en randen, ingezaaid met onze eigen inheemse korenbloem, boekweit, kamille, ganzenbloem, klaproos en bolderik. Een akkerrand in bloei is een prachtig gezicht. Veel mensen genieten er van.  Tegenwoordig zijn het niet alleen natuurgebieden waar je ingezaaide stroken langs akkers ziet. Ook particulieren zaaien vaker bloemrijke mengsels in, steeds meer agrariërs doen het ook. Vooral voor deze laatste groep kunnen bloemrijke akkerranden veel voordeel opleveren. Het gaat dan niet alleen over biodiversiteit, maar over het verminderen of stoppen van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, met name de insecticiden, de insectendoders. Een onderzoek, deze week verschenen in de media, maakt dit duidelijk.

Dagblad Trouw 28 juni 2021

Ook natuurlijke vijanden spuit je dood 

Het gaat om een onderzoek uitgevoerd door het instituut voor Biodiversiteit en Ecosysteem Dynamica van de Universiteit Amsterdam.( IBED) Het onderzoek zet grote vraagtekens bij het nut van insecticiden in de landbouw. Het gif doodt naast de schadelijke bedreigers (plaaginsecten) van de oogst namelijk ook de natuurlijke vijanden van de luizen, kevers en rupsen. De plaagsoort profiteert daar dan een poosje later weer van. Eerst lijkt het effect van het gif te werken, maar al gauw nemen de schadelijke insecten weer in aantal toe. Oorzaak: Hun natuurlijke vijanden zijn verdwenen. De plaag herstelt zich sneller dan de vijand. Nog een keer spuiten ? De onderzoekers komen met een belangrijke aanbeveling:  “Het is zinvol geen insecticiden te gebruiken, maar natuurlijke vijanden te stimuleren, bijvoorbeeld door de aanleg van bloemrijke akkerranden”

Meer bloemrijke akkerranden kan bijdragen tot minder spuiten

In 2019 kwam de UvA al met gegevens uit een onderzoek in de Hoeksche Waard.

Monitoring insecten in bloemrijke akkerranden Den Westerhuis Reestdal 

Zweefvlieg op boekweit

In de zomermaanden van 2020 inventariseerde de natuurwerkgroep de Reest de insectenwereld in een aantal bloemrijke akkerranden op Den Westerhuis. De monitoring werd voor het eerst gedaan. Dit jaar 2021 krijgt de inventarisatie een vervolg. In de ingezaaide akkerranden werden vorige zomermaanden de volgende insectensoorten waargenomen:

 

Vlinders

bruin zandoogje                 lieveling                    citroenvlinder                      variabele grasmot

Dagpauwoog                      wortelmot                  gamma-uil                          zwartsprietdikkopje

gewone grasmot                 landkaartje               groot dikkopje                    koolmotje

kamillevlinder                     koevinkje                 klein geaderd witje            kleine vuurvlinder

kleine wortelhoutspanner

Akkerrand als insectenparadijs

Torren en wantsen                                                    

eikenbladrolkever                            aardappelprachtblindwants

gewone distelboktor                        bessenschildwants

groene distelsnuitkever                  koolschildwants

Hemicrepidius niger (kniptor)      zuidelijke schildwants

kleine roodweekschild                     zuringrandwants

koperkleurige kniptor                      muisgrijze kniptor

lieveheersbeestje is natuurlijke vijand voor bladluizen

rozentor

zestienstippelig  lieveheersbeestje

zevenstippelig lieveheersbeestje

zwart soldaatje

zwartpoot soldaatje

 

Vliegen                                                       

bandzweefvlieg

Dambordvlieg

Dexia rustica

pendelvlieg

groene vleesvlieg

grote dansvlieg

grote kommazweefvlieg

grote langlijf

langlijfje

roodbaardroofvlieg

siphona (sluipvlieg)

snorzweefvlieg

terrasjeskommazweefvlieg

Tipula vernalis

Zophomyia temula

Bijen, hommels en wespen 

steenhommel

aardhommel

blinde bij

Duitse wesp

gewone honingbij

pluimvoetbij

honingbij

Natuurlijke vijanden 

Bij deze waargenomen soorten zitten veel insecten waar een landbouwer of fruitteler wel heel erg blij van moet worden. Een paar voorbeelden: lieveheerbeestjes eten bladluizen,

Pyjamawantsen vind je vooral op schermbloemigen

schildwantsen maken korte metten met rupsen, luizen en trips. Van een aantal loopkeversoorten is bekend dat ze veel plaaginsecten eten. Larven van zweefvliegen vullen hun maag met bladluizen. Oorwormen zijn vooral planteneters, maar eten ook rupsen, luizen en allerlei maden. Deze natuurlijke vijanden zijn vrienden van de boer. Alleen niet elke agrariër kent ze. Als een gewas (vaak preventief) wordt bespoten gaan deze soorten dus ook allemaal dood.

Wat te doen ? 

Het is mogelijk, dat het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel noodzakelijk blijft, maar liever niet. Met de aanleg van verruigde bloemrijke randen, stroken en overhoekjes stimuleer je de ontwikkeling van een diverse insectenwereld. Natuurlijk zitten daar plaagsoorten in. Maar als uit allerlei onderzoeken blijkt, dat natuurlijke vijanden de schadelijke insecten in toom kunnen houden, waarom zou je dit niet doen ? De

Bermen worden minder vaak gemaaid.

biodiversiteit in het agrarisch landschap krijgt ook nog een steuntje in de rug omdat gemeenten, provincies en waterschappen steeds vaker kiezen voor ecologisch bermbeheer. Het Nederlandse landschap moet veel meer verruigen. Vergroenen wordt dit ook genoemd. Natuur moet veel meer onderdeel worden van de agrarische bedrijfsvoering. Bermen moeten minder gemaaid. Tegeltuinen veranderen in groene oases met plantenborders en bomen die schaduw geven.

De overheid en de EU lossen dit probleem niet op. Jij/U kunt veel meer doen.

Als het allemaal van onze eigen overheid of van de EU moet komen, komen we nauwelijks een stap verder. Veel gepraat, er wordt gesmeten met geld (subsidies die nauwelijks resultaat opleveren) en er worden allerlei compromissen gesloten die geen enkel effect hebben. De omslag

Europees logo biologische voedingsmiddelen

moet komen bij de boer zelf. Die moet het willen en het nut er van inzien. Die boeren zijn er al en er komen steeds meer, agrariërs die meer plezier uit hun mooie werkhalen, als ze kiezen voor meer natuur op hun bedrijf. De boer moet wel geprikkeld worden. De grootste invloed ligt namelijk bij de consument. Jij, U, ik dus. Als bijvoorbeeld alle liefhebbers van zuivel kiezen voor biologische melk, karnemelk en yoghurt, stimuleren ze de opkomst van de biologische veehouderij. Deze bedrijven zijn nog ver in de minderheid ( ongeveer 4%) van het totale aanbod aan

De consument heeft wat te kiezen

zuivel. Het verschil in prijs tussen de “gewone” melk en de biologische is te verwaarlozen. Supermarkt PLUS verkoopt binnenkort alleen nog maar biologische zuivel afkomstig van bedrijven met kruidenrijke graslanden, koeien in de wei, kunstmest wordt niet gebruikt, gewasbescherming al helemaal niet. De prijs is gelijk aan de melk uit de reguliere landbouw. Gaat het nu dan echt veranderen ?

 

 

 

 

 

Posted in Akkerbouw, Algemeen | Tagged | Leave a comment

Zes granen en ruige bloemrijke akkerranden op Den Westerhuis

Graspad tussen de granen van Den Westerhuis

We eten speltkoeken, roggebrood, tarwezemelen en havermout. Bakken misschien pannenkoeken van boekweitmeel en drinken bier gemaakt van gerst. Maar…. wie kent de bronnen ? Anders gezegd: wie weet hoe al deze (oude) granen groeien en bloeien, hoe je ze kunt herkennen,  wat het eindproduct is en wat we daar zoal mee doen? Om dit allemaal te ontdekken, maar vooral om te genieten van al die verschillende granen in combinatie met de mooiste akkerkruiden, moet je in het Reestdal gaan kijken op Den Westerhuis.

Klaprozen in de akkerrand

Samen 

Vanaf de begraafplaats van Oud-Avereest naar buurtschap Den Westerhuis loopt een smal graspad tussen twee hoog gelegen essen (akkers). Je loopt tussen de winterrogge en de korenbloemen door. Klaprozen, kamille en andere kruiden bloeien in de ruige akkerranden. Maar er is meer. Sinds 2010 werken natuurwerkgroep de Reest en Landschap Overijssel samen in het project “Granen, akkerranden en natuurakkers”. LO levert de granen, de natuurwerkgroep investeert in akkerkruidenmensgels. LO bewerkt de grond, nwg de Reest maakt en plaatst infopaneeltjes en zaait de stroken in najaar en voorjaar op ambachtelijke wijze ( met de zaaikorf) in. Strokenteelt. Het woord is gevallen. Staat volledig haaks op de moderne grootschalige akkerbouw van nu. Wat zien we ? De belangstelling voor deze manier van gewassen telen neemt toe.  De biodiversiteit in het agrarisch zal toenemen. Gewassen worden minder kwetsbaar. Hier op Den Westerhuis worden de granen ieder jaar in stroken gezaaid. De granen worden niet geoogst. In de winter mogen vogels en zoogdieren de zaden opeten.

Strokenteelt: boekweit gezaaid tussen winterrogge en zomertarwe

Welke granen ?

Het grootste deel van de beide essen in door Landschap Overijssel ingezaaid met winterrogge. Dit graan wordt altijd in oktober gezaaid. Een groot deel van de oostelijke es is verdeeld in zes lange stroken van ongeveer 15 meter breed. De es grenst aan een houtsingel.

Emmertarwe

In oktober 2020 zaaiden vrijwilligers van de natuurwerkgroep de Reest emmertarwe in. Dit wintergraan is nieuw in het project. Onder normale omstandigheden wordt in het najaar spelt gezaaid, maar het zaaigoed van dit graan was afgelopen najaar moeilijk verkrijgbaar.

In april 2021 was het de beurt aan de zomergranen zomergerst, zomertarwe en haver. Later, in mei 2021 , met afnemende kansen op nachtvorst,  werd boekweit gezaaid. In die zelfde periode werd de rand tussen de es en de houtsingel ingezaaid met een mengsel van akkerkruiden. Akkerranden uit de projecten van 2020 en 2019 mogen zich blijven ontwikkelen.

Korenbloemen in de winterrogge

 

Posted in Flora, kleinschalig landschap, Landbouwgewassen in het Reestdal | Leave a comment